Engelse revolte is consumentenrel

Dit zijn geen honger- of broodopstanden. Dit zijn rellen van gemankeerde en afgeschreven consumenten.

Revoluties zijn geen standaardproduct van sociale ongelijkheid; mijnenvelden wel. Omdat revoluties zich op specifieke zaken richten, kunnen we iets doen om ze bijtijds te lokaliseren en onschadelijk te maken.

Dat geldt niet voor de explosies van het mijnenveldtype. We weten vrij zeker dat sommige ervan op enig moment zullen ontploffen, maar we kunnen met geen mogelijkheid zeggen welke, en wanneer.

In het geval van de mijnenvelden die door een leger zijn gelegd, kunnen we de mijnen laten uitgraven en laten demonteren door andere soldaten, van een ander leger. Een gevaarlijker karwei bestaat bijna niet.

In het geval van de mijnenvelden die door sociale ongelijkheid zijn gelegd, is zelfs een dergelijke remedie niet voorhanden. Het leggen en uitgraven van de mijnen moet door hetzelfde leger worden uitgevoerd. Onvermijdelijk worden nieuwe mijnen toegevoegd aan de oude. Er wordt ook op getrapt, altijd maar weer. Mijnen leggen en slachtoffer van hun explosies worden – het zijn, in dit geval, twee kanten van dezelfde medaille.

Alle varianten van sociale ongelijkheid komen voort uit de scheiding tussen de haves en de have-nots. Miguel de Cervantes Saavedra merkte dat een half millennium geleden al op. Brood of rijst was altijd het voornaamste goed dat leidde tot strijd tussen de haves en de have-nots – twee eeuwen geleden in Europa, een paar decennia geleden op plaatsen op een eindje van Europa en tot op de dag van vandaag op een aantal slagvelden van stammenoorlogen of speelplaatsen van dictaturen. Godzijdank – en dankzij wetenschap, techniek en politieke hulpmiddelen – is dit niet meer het geval.

Dit betekent nog niet dat het oude onderscheid dood en begraven is, integendeel. De objecten van begeerte waarvan de afwezigheid het hevigst wordt verfoeid, zijn tegenwoordig velerlei. Hun aantal, evenals de verleiding om ze te hebben, groeit met de dag. Zo groeien ook de woede, de vernedering, de nijd en de wrok bij wie ze niet heeft, evenals de drang om te verwoesten wat we niet kunnen hebben. Plundering en brandstichting bij winkels komen voort uit deze impuls en bevredigen dit verlangen.

We zijn allemaal in de eerste plaats consument –omdat het mag, maar ook omdat het moet. De dag na de aanslagen van 11 september riep president George W. Bush de Amerikanen op om over het trauma heen te stappen en over te gaan tot de orde van de dag. Hij vond daarbij geen betere woorden dan go back shopping.

Ons winkelgedrag en het gemak waarmee we ons ontdoen van het ene consumptieartikel en het vervangen door een ‘nieuw en verbeterd’ exemplaar vormen de belangrijkste score in de wedloop om een geslaagd leven.

Van de wieg tot het graf worden we getraind en afgericht om winkels te behandelen als apotheken vol medicijnen ter genezing of ter verlichting van alle ziekten en kwalen in ons leven. Winkels en winkelen krijgen daarmee een waarlijk apocalyptische dimensie. „Supermarkten zijn onze tempels”, luidt de befaamde uitspraak van George Ritzer. Ik voeg daaraan toe: boodschappenlijstjes zijn onze gebedenboeken en wandelingen door winkelcentra zijn onze bedevaarten. De vervulling van het consumentengenot betekent levensvervulling. Ik winkel, dus ik ben. To shop or not to shop, that is the question.

Voor gemankeerde consumenten, die hedendaagse have-nots, is niet-winkelen het schrijnende en etterende brandmerk van een onvervuld leven – en van de eigen onbeduidendheid en niet-bestaandheid. Het is niet alleen de afwezigheid van plezier, het is de afwezigheid van menselijke waardigheid, van levensinhoud en uiteindelijk van menselijkheid en elke andere grond voor respect, van jezelf en anderen.

Supermarkten mogen dan de tempels zijn van de eredienst voor de leden van de gemeente; voor de vervloekten – behoeftig en in de ban gedaan door de Consumentenkerk – zijn het buitenposten die de vijand heeft geplaatst op de grond van hun ballingschap. Die zwaar bewaakte bolwerken beletten de toegang tot de goederen die anderen tegen eenzelfde lot beschermen. Zoals George W. Bush zou moeten toegeven, beletten ze de overgang – en voor de jongeren die nog nooit in een kerkbank zaten: de toegang – tot ‘de orde van de dag’.

Stalen traliewerk en rolluiken, cameratoezicht, bewakers bij de ingang en verborgen collega’s binnen dragen alleen maar bij aan de sfeer van een slagveld en aanhoudende vijandelijkheden. Die bewapende en streng bewaakte burchten van de vijand-in-ons-midden dienen dag in, dag uit als herinnering aan de ellende en aan de vernedering van de inboorlingen. In hun hooghartige en arrogante ontoegankelijkheid lijken ze uitdagend te roepen: kom eens op, als je durft – maar dan?

Zygmunt Bauman is een Poolse socioloog en filosoof. Dit stuk is eerder gepubliceerd op social-europe.eu

    • Zygmunt Bauman