Een ode aan de kennis voor een leeg hoofd

Welke boeken passen het best in de vakantiekoffer? Maartje Somers over het zomerse aanbod aan non-fictieboeken.

De zomer is dé tijd voor serieuze non-fictie. Het land is groen, de zee is blauw, het hoofd is leeg. Weg met thrillers en vakantiebundeltjes, eindelijk ruimte voor wat substantie. Ik zou geen boek over depressie durven lezen in het holst van november of februari, uit angst dan zelf aan de rand van de afgrond te raken. Maar in een zondoorstoofde Zuid-Europese boomgaard kan ik het depressieverslag Pil (Nijgh & Van Ditmar, 240 blz. € 12,50) van cabaretier Mike Boddé makkelijk aan.

Het lijkt een grap, een cabaretier die ten prooi valt aan depressie. Mike Boddé kreeg er een, en niet zo’n kleintje. In dit boek doet hij er recht voor zijn raap verslag van, compleet met tips voor de bijpassende muziek. Het boek is even toegankelijk als direct, het is een egodocument in de strikte zin van het woord. Maar wie wil weten hoe het is, zo’n winter van de geest, kan bij Boddé terecht. Uiteindelijk een lofzang op Anafranil, de pil die hem er na zes jaar tobben bovenop hielp.

Anton van Hooff: Nero en Seneca (Ambo, 264 blz. € 15). Razend interessant klassiek probleem, doorgespit aan de hand van twee beroemde levens, van de despotische Romeinse keizer, moedermoordenaar en hooligan Nero en de stoïcijnse, soberheid predikende filosoof Seneca, diens leraar, mentor, vertrouweling en tekstschrijver. Van Hooff zet de tegenstelling tussen beiden stevig aan, maar heeft ook oog voor interne tegenstrijdigheden in beider karakters. Het boek begint met hun beider gewelddadige dood en schetst dan de geschiedenis en de genen van hun verbintenis op basis van het werk van Tacitus, Suetonius, Cassius Dio en Seneca zelf. Uiteindelijk is Nero en Seneca een onderzoek naar de grenzen van het geweten: steeds trekt Van Hooff parallellen naar de rol van intellectuelen onder despotische regimes in modernere tijden.

Bill Bryson: Shakespeare, een biografie (Olympus, 191 blz. € 12,50). Smakelijk opgediste zoektocht naar wat we weten van William Shakespeare. De onvermoeibare Bryson – het universum, geschiedenis van huiselijke spullen, hij heeft overal zin in – deinst nergens voor terug. Ditmaal schuift hij de kilometers Shakespeare-studies gewoon terzijde en begint opnieuw, met het zoeken naar documenten en gesprekken met kenners. Wat weten we nu eigenlijk echt over Shakespeare? „Vandaar”, schrijft hij, „dat het geen dik boek is geworden.” Behalve het weinige wat we wél van Shakespeare weten, traceert Bryson ook de herkomst van het standpunt dat Shakespeare nooit heeft bestaan. Al Bill Brysons boeken zijn in wezen een ode aan de vreugde van kennis. Pure feelgood voor de hersens van de lezer.

Alain de Botton: De kunst van het reizen (Olympus, 256 blz. € 15). De Botton is altijd prettig reisgezelschap, al kan hij soms wat zalvend uit de hoek komen. Maar De kunst van het reizen, stammend uit 2002 en zo’n beetje om de zomer opnieuw uitgebracht, is wel een must voor wie geestelijk voorbereid op weg wil. Zoals in zijn boeken gebruikelijk troost De Botton de eenzame, door Reisefieber en cultuurshock bevangen ziel met het gezelschap, de bevindingen en gewaarwordingen van kunstenaars en schrijvers, onder wie Baudelaire, Flaubert, Alexander von Humboldt en last but not least Xavier de Maistre, de schrijver van Voyage autour de ma Chambre (1790). De Botton zelf laat zich ook niet onbetuigd, met dichterlijke beschrijvingen die zelfs Engelands snelwegen en benzinestations tot exotische bestemmingen maken.

Tony Judt: Het land is moe (Contact, 238 blz. € 12,50). De sociaaldemocratie ligt onder vuur. Letterlijk, maar ook figuurlijk. Historicus Tony Judt, die in 2010 overleed, schreef toen hij al ernstig ziek was dit kleine pleidooi voor een zieltogende staatsvorm. Het is een mooi politiek testament, gericht aan jongeren. In wat voor samenleving willen zij leven? Judt pleit, haast tegen beter weten in, voor geïnstitutionaliseerde én persoonlijke verbondenheid in tijden van bankierscasino’s en geharnast individualisme.

Hij citeert de conservatief Edmund Burke, die de samenleving omschreef als „niet alleen een partnerschap van de nu levenden, maar van de levenden, de doden en zij die nog geboren moeten worden”. Volgens hen moet links duidelijker zijn over deze verbondenheid.

Wie Judts geschiedenis en zijn belangrijkste boek, getiteld Postwar, een beetje kent, realiseert zich dat Het land is moe ook een vorm van heimwee is. Het staat in elk geval dwars op de tijdgeest en noodt daardoor uit over die tijdgeest nog eens drastisch na te denken, tijdens of na die duik in zee.