De niksigheid van het bestaan

Sonia Clayton is 20 jaar en heeft een dochter van vier. Waarom ging zij deze week mee plunderen in haar eigen Londense stadsdeel, Camden? Schoorvoetend wil ze erover praten, nu ze net voor de rechter is geweest. „Ik werd toen een beetje gek.”

In een hoek van de publieke tribune van Highbury Magistrates Court staat een blank meisje met een paardenstaart en een piercing in haar neus. Ze is niet langer dan 1,50 meter, gekleed in een lichte spijkerbroek, zwarte sportschoenen en een zwart trainingsjack met roze randen.

Ze luistert hoe de advocaat van dienst de twee jonge mannen in het verdachtenbankje omschrijft als „mannen met een goede reputatie”. Ze zijn gearresteerd op verdenking van inbraak en plundering van een wedkantoor in Camden, Noord-Londen, tijdens de rellen die daar plaatshadden in de nacht van maandag op dinsdag.

Ze draait met het hengsel van een plastic tas tot ze haar wijsvinger heeft afgekneld en laat de tas dan met flink gekraak weer afwikkelen. Als de andere aanwezigen een paar keer verstoord hebben opgekeken, houdt ze op. Ze begint zenuwachtig van de ene op de andere voet te bewegen.

Als de districtsrechter de twee op onvoorwaardelijke borgtocht vrijlaat tot hun rechtszaak begint, slaakt ze een zucht van verlichting. Een grote glimlach verschijnt op haar gezicht. Dat is mijn baby daddy, vertelt ze later, en wijst op Byron Peyton. De vader van haar vierjarige dochtertje Shanice.

Maar Sonia Clayton is niet alleen in de rechtbank om Byron bij te staan. Een uur eerder werd ze zelf voorgeleid, het papierwerk voor haar borgtocht is net door haar advocaat ingevuld.

Ze ruikt naar zweet en ze is moe – de nacht heeft ze doorgebracht in Holloway, de vrouwengevangenis. „Dat was eng, weet je wel.” Ze zat al eens in de jeugdgevangenis. Later, wanneer ze zich giechelend achter mijn rug verstopt als haar oude reclasseringsambtenaar langs loopt, blijkt dat ze er wel meer dan eens heeft gezeten. Meestal voor drugsbezit.

Nu is ze net twintig geworden, meerderjarig en dus ook verantwoordelijk. „Ik weet het, man. Ik zat net letterlijk te beven. Ik heb echt geluk gehad, weet je wel.”

Waar was dochter Shanice vannacht? Bij familie, zegt ze vaag.

Dacht ze maandag niet ‘wat doe ik mijn kind aan’? Sonia draait wat verlegen met haar voet. „Ik werd toen een beetje gek.”

Wie de beelden ziet, begrijpt wat ze bedoelt. In Camden waren de rellen lang niet zo erg als elders in Londen, er werd bijvoorbeeld ‘slechts’ brandgesticht in prullenbakken. Maar Sonia en haar mederelschoppers wisten toch een spoor van vernielingen en plunderingen te trekken. Ze wil het er eigenlijk niet meer over hebben – ook uit angst voor verdere strafvervolging.

Het verslag van de lokale journalist Richard Oseley, een van de weinigen die zich deze nacht in Camden op straat durfden te vertonen, vertelt genoeg: „Vuurwerk kwam uit het niets en suisde midden over de weg, geknutselde projectielen maakten onmogelijke hoeken door de lucht. De politie en de ogen achter de sjaals vielen elkaar om de beurt aan, de politie toegerust met schilden, de sjaals met alles wat ze maar konden vinden. Ik zag een groep jongeren vuilnisbakken openen, flessen pakken en die naar een rij agenten gooien.”

Toeschouwers, volgens Oseley niet ouder dan veertien jaar, jutten de relschoppers op. Hij vertelt dat hij nog steeds verbaasd is dat kinderen om één uur ’s nachts zo maar over straat lopen.

Het duurde zeker een uur voor de oproerpolitie de groep van Chalk Farm naar de Camden Lock spoorbrug had gedreven. „Ze trokken zich terug in de zijstraten, kwamen dan weer terug, met hun armen in de lucht en opnieuw met alles gooiend wat ze maar konden vinden, vuilnisbakken rondwerpend als een dronken Donkey Kong.”

Onderweg werden winkelruiten vernield. Een fietsenwinkel werd geplunderd – later die nacht zouden fietsen in de hele wijk worden teruggevonden. De plunderaars waren „als piranha’s die een stuk vlees verorberen”, zegt Oseley.

Een kledingwinkel werd opengebroken, eerst de rolluiken en toen het dubbele glas. Vijf dagen later is manager Tom Lloyd nog steeds bezig met puinruimen. De schade loopt in de duizenden ponden. „Ze wisten precies wat ze wilden hebben, ze zijn meteen naar boven gerend”, vertelt hij. Daar liggen de spijkerbroeken. Het moeten klanten zijn geweest, denkt hij. Lloyd verkoopt het soort kleren die veel van de relschoppers dragen of zouden willen dragen: Adidas, Lee, Diesel, G-Star.

Het uniform van een plunderaar bestaat uit een wijde spijkerbroek die laag op de heupen hangt of een trainingsbroek. Daarboven een trainingsjack met capuchon, de hoodie die over een baseballpet of bandana getrokken wordt. Voor vrouwen is het juist een strakke spijkerbroek, de pijpen in de sneakers en liefst ergens nepdiamanten. De mannen hebben eenzelfde manier van lopen; zwierig, bijna traag, alsof er een beat onder zit. Als ze tenminste niet op hun crossfiets zitten.

Sonia hield het volgens de openbaar aanklager bij inbraak in een mobieletelefoonwinkel met de bedoeling iets te stelen. „Ik vernielde wat winkels. En nam spullen mee die ik me normaal niet kan veroorloven.”

Ze krijgt een werkloosheidsuitkering van 63 pond per week, en daarbij een bijdrage voor de huur en kinderopvang. Ze doet een cursus ‘gezondheid en maatschappelijk werk’, maar weet niet helemaal waartoe ze wordt opgeleid. „Van alles”, zegt ze. Wat wil ze worden? Ze zwijgt.

Deed ze het om die spullen? Ze haalt haar schouders op. Nou nee.

Waarom dan? „Iedereen deed het”, zegt ze. Ze somt namen op. Familie, vrienden, een ongelooflijke hoeveelheid neefjes. Ze pingden elkaar om te vertellen dat er ‘iets’ gaande was. ‘Baby daddy’ Byron – die aan de twee stevige vrienden of broers die hem afschermen en aan zijn houding te zien duidelijk een van de stoerste mannen van de buurt is – was elders. De twee wonen „af en toe” samen.

Sonia zegt: „Die jongen die in Tottenham is gedood, ik kende hem een beetje. Toen we het nieuws hoorden, toen gingen we gewoon.”

Dus het was wraak? Ze haalt haar schouders op. Dat ook weer niet.

Het is niet het bevredigende antwoord waar je op hoopt. Het is een soort ‘niksigheid’, een soort ‘waarom eigenlijk niet?’ dat veel van de relschoppers in de rechtbank vertonen. Slechts een enkeling toont berouw.

„We wonen in de buurt”, zegt ze.

Die buurt is Somers Town, dat ingeklemd ligt tussen de stations St Pancras, waar de Eurostar naar het Europese vasteland vertrekt, en Euston. Ten noorden ligt Camden Town, bekend om zijn muziekscene, de cafés en de hippiemarkt. Waar artiesten als Ricky Wilson en Simon Rix van de Kaiser Chiefs – bekend van de hit I Predict a Riot – dinsdag meehielpen met het schoonmaken van de straten en waar de onlangs overleden Amy Winehouse woonde.

Iets verder ligt Primrose Hill, de ‘grachtengordel’ van Londen waar onder anderen acteur Jude Law en oppositieleider Ed Miliband wonen, en de gemiddelde huizenprijs 710.317 pond (811.000 euro) is. Nog geen kwart van de bewoners woont daar in sociale woningbouw.

In Somers Town – ook de gemeente Camden – is dat 51 procent. Het is een niemandsland waar je nooit zomaar terechtkomt. Met grote woonblokken die sinds het begin van de vorige eeuw zijn gebouwd, in eerste instantie in opdracht van een priester die de krotten die er stonden wilde vervangen door iets stevigs. De blokken hebben prachtige namen: Phoenix Court, Oakshott Court, St Francis’ Flats. Maar bordjes waarschuwen dat ‘balspelen verboden’ zijn en ‘kinderen hier niet mogen spelen’.

Het is het soort buurt waar een buitenstaander meteen opvalt. Een jeugdwerker snelt ergens naar buiten en vraagt argwanend: „Wat kom je doen?” Ze maakt haar excuses: „Dit zijn kwetsbare tieners. Je weet nooit wat er gebeurt.”

Somers Town staat bekend om zijn informele economie. Vanuit een van de flats runde een drugsbaron een cocaïnekartel tot hij eind vorig jaar werd opgepakt. Bij een van de woningblokken vermengt een wietlucht zich met de geur van warm eten. En er zijn bendes; Bengaalse jongeren versus blanken, al komt dat steeds minder voor doordat er steeds meer jongeren van gemengde afkomst zijn. Nu is territorium belangrijk. Somers Town versus alle anderen.

De werkloosheid onder jongeren is groot en de gemeente Camden bezuinigt de komende drie jaar 2,3 miljoen pond op het budget voor jeugdwerk. „Hopelijk beginnen we binnenkort aan een opleidingsprogramma voor jongeren”, zegt een optimistisch raadslid, die liever niet met zijn naam in de krant wil. Hij vertelt ook dat het steeds beter gaat met Somers Town; er vindt stadsvernieuwing plaats en wijkbewoners zijn zelf met een tuinproject begonnen. Desalniettemin was Somers Town „honderd jaar lang een dumpplaats voor van alles”.

Het zijn ook de politici, mediacommentatoren en deskundologen die een dergelijke achtergrond gebruiken om te verklaren hoe het zover heeft kunnen komen. Sonia Clayton gebruikt het ook niet als excuus. „We wonen in de buurt”, is gewoon een feitelijke constatering.

Het kat-en-muis-spel met de politie was wel grappig, zegt ze. Met een giechel: „De feds moesten me een tijdje achtervolgen voor ze me hadden.” Twaalf relschoppers werden uiteindelijk gearresteerd, onder wie Sonia.

Kan haar de schade en paniek die zij en haar mederelschoppers hebben veroorzaakt iets schelen? Ze is nog niet buiten geweest om de directe en indirecte gevolgen te zien.

Want als de duisternis valt, is te merken hoezeer Londen is geschrokken. Winkeliers timmeren hun ramen hermetisch dicht met triplexplaten of sluiten al vroeg in de middag. Als er een politieauto met zwaailichten langskomt, wat in Londen niet ongewoon is, kijkt iedereen op. De straten zijn stiller dan normaal, net of er een onofficiële avondklok is.

Sonia lijkt vooral opgelucht. Maar dit zegt ze ook: „Dit zal ik zeker niet nog eens doen.”

    • Titia Ketelaar