'De naam Asscher geeft net iets meer cachet'

Bij een salade niçoise vertelt diamantair Mike Asscher over zijn familiebedrijf, China en de opkomst van laboratorium-diamanten.

Als ik aankom, staat hij al te wachten bij het restaurant, naast zijn scooter, twitterend. Zwarte regenjas, kraag omhoog, overhemd zonder das want het is half vakantie, het kantoor is dicht, maar hij werkt door. Als enige. We hebben het restaurant bijna voor onszelf, want ook de rest van Amsterdam en omstreken is met vakantie. Normaliter zit het hier vol met lunchende zakenlui, maar nu even niet. Dan blijkt hoe lastig het is een tafeltje te kiezen als je overal kunt gaan zitten. Aan de tuinkant? De waterkant? We opteren voor het gedeelte waar nog een paar anderen zitten. Mensen zoeken elkaar op. Niets menselijks is ons vreemd.

Mike Asscher is de zesde generatie Asscher in de directie van de gelijknamige diamantairfamilie. Maar ik bespeur nergens een diamant. Niet eens een kleintje, ergens in een ring of op zijn revers, waar collegae manlijke diamantairs nog wel eens een steen opspelden. Samen met zijn vader en zuster leidt hij het bedrijf dat aan de vooravond staat van een internationale doorbraak. Tenminste, dat zijn de plannen. Niet dat de naam Asscher buiten onze landsgrenzen onbekend is, integendeel, ze zijn al vertegenwoordigd in 175 verkooppunten in Japan alleen (Japan is trouwens vorig jaar, voor het eerst, door Amerika voorbij gestreefd als belangrijkste markt voor Asscher, terwijl Nederland niet meer dan 2 à 3 procent van hun omzet vertegenwoordigt), maar de nieuwe plannen reiken verder, met voor het eerst een eigen winkel in Tokio die onlangs geopend is, en vier andere die op het programma staan, in Peking, Shanghai en nog twee andere Chinese steden, want China heeft de toekomst. Ook in de wereld van de diamant.

Naast het produceren, inkopen en slijpen van ruwe diamant wil Asscher gaan concurreren met de grote jongens uit het vak, Tiffany, De Beers, Cartier, door een naam op te bouwen als merk, met diverse juwelenlijnen, zelf ontworpen collecties, wellicht uit te breiden met allerhande accessoires. Er is sinds kort een kantoor in Tokio, naast dat in New York, dat zijn zuster Lita sinds vijf jaar leidt. In september begint Mike met een cursus Chinees. „Je moet daar toch zelf een broodje kunnen bestellen of naar iemands gezondheid informeren. In het Japans lukt me dat al, dus kan m’n Chinees natuurlijk niet achterblijven.” En dan, in december, volgt een andere blijde gebeurtenis. De geboorte van zijn eerste kind. „Een zoon”, vertelt hij opgetogen, „de eerste van de zevende lichting, dus de familienaam sterft niet uit. Dat wil zeggen: niet aan onze kant van de familie, want neven en nichten hebben al kinderen.”

Royal cut

De serveerster zet twee glazen Sauvignon Blanc op tafel. Of we al een keus hebben kunnen maken. Nee, dat hebben we nog niet. Mike is een makkelijke prater, er viel geen ijs te breken, we zitten vanaf het begin diep in het gesprek.

„Dat wij als familie zelf de zaken doen in het bedrijf is voor veel leveranciers, klanten, verkopers en eigenlijk iedereen waar we mee te maken hebben, een duidelijke pre. Dat merk je meteen. Zeker in het buitenland, in Amerika, Japan. Als er een Asscher langskomt, geeft dat toch iets meer cachet, dan krijg je makkelijker een afspraak en vallen dingen sneller te regelen. Met een onbekende of naamloze vertegenwoordiger werkt dat een stuk lastiger. Dus het is wel belangrijk dat mijn zoon later ook in de zaak gaat.” Hij moet er zelf om lachen, zo prematuur klinkt het.

Vandaar ook dat hij met zijn vader en zuster alles zelf doet. Verkooptrainingen, contact met retailers, verkopers, inkopers, slijpers. Mike reist zich dan ook suf. „Heerlijk. Ik hou enorm van reizen.”

Officieel heet het bedrijf niet Asscher maar Royal Asscher. Niet alleen omdat het sinds 1980 koninklijk is goedgekeurd, of doordat het de majesteit dit jaar ten tweede male heeft behaagd dit predicaat voor vijfentwintig jaar te verlengen (wat niet wil zeggen dat ze zelf klant is, maar dat het bedrijf vooraanstaand is in zijn vakgebied, maatschappelijk verantwoord zaken doet, een belangrijke Nederlandse rol speelt in het buitenland en langer bestaat dan 100 jaar), maar ook vanwege de Royal Asscher cut.

Mijn telefoon gaat. Ik zet hem uit. Zijn telefoon gaat ook, maar hij neemt op. De douane staat voor kantoor (Mike had z’n 06-nummer op de deur geplakt), iets met inklaren.

„Hebt u al een keus kunnen maken”, probeert de serveerster opnieuw. Mike is hier vaste klant, hij kiest uit het hoofd de salade niçoise, ik neem de bouillabaisse. En nog twee witte wijn graag. Weer zijn telefoon. Nu is het iemand die een pakje poogt af te geven. „Nee, afgeven bij de buren kan niet”, zegt Mike. Beetje kostbaar om die te laten betalen voor een lading diamant.

Waar waren we. O ja, de Royal Asscher cut. Dat is een slijpvorm, net zoals er briljantslijpsel bestaat, peerslijpsel, smaragdslijpsel, baguetteslijpsel, een diamant kan immers in vele vormen worden geslepen. Voorvader Joseph had in 1902 al zijn achthoekige Asscher cut laten patenteren, en was daarmee de eerste die een slijpvorm liet vastleggen als eigendom. In 1999 verbeterden Mike’s vader Edward en oom Joop (die in 2006 overleed) de slijpvorm, waardoor de diamanten nog meer gingen schitteren. Ze patenteerden het als Royal Asscher, en de diamantwereld was er weg van. Royal Asscher is nu wereldwijd gekend en een grote troef in de op stapel staande wereldexpansie.

Weer de telefoon. Weer iemand aan de deur. Je zou toch denken dat er wel ergens een secretaresse is overgebleven op kantoor, maar nee. Hoe groots en beroemd het bedrijf ook qua naam, historie en reputatie is, het is helemaal niet zo groot. Wereldwijd heeft het 90 mensen in vaste dienst (15 in Amsterdam, 25 in Japan, 5 in New York, de overigen zijn slijpers in Rusland en China.) Omzetcijfers geeft men als familiebedrijf niet, maar wel dat het per jaar 20 kilo diamant verhandelt.

„Of nee”, bedenkt Mike zich, pakt z’n telefoon, toetst wat in en rekent wat uit. „Nee, ik bedoel 5 à 6 kilo.” Dan weet ik nog niks. Alleen dat 1 karaat 0,2 gram weegt, en dat 1 karaat al best een aardig formaat is, groter dan de meesten om hun vinger hebben en – zeer afhankelijk van kleur, zuiverheid, en nog zo wat criteria – toch al gauw een paar duizend euro kost.

Vroeger was het bedrijf vele malen groter. Gevestigd in 1854, deed het goede zaken in de tijd dat de Zuid-Afrikaanse mijnen werden ontdekt. Oprichter Joseph behoorde tot de pioniers op diamantgebied. Twee kleinzoons namen het over, waaronder de Joseph van de Asscher cut. Hij was een geniaal slijper en wereldberoemd. De Engelse koning Edward VII koos hem om de Cullinan te kloven, de grootste ruwe diamant aller tijden. (De grootste diamant die daaruit voortkwam zit in de scepter van de Britse kroonjuwelen, en twee andere vormen nu ’s werelds duurste broche – geschatte waarde 50 miljoen euro – die koningin Elizabeth nog wel eens uit de kast haalt voor een feestje en die de bijnaam Granny’s chips heeft). Een andere wereldberoemde Asscher cut diamant, de ruim 33 karaat wegende Krupp, was eigendom van Elizabeth Taylor. Het was haar lievelingsring die ze zowel privé als in veel van haar films droeg. Ze kreeg hem in 1968 van Richard Burton (hij betaalde er toen 300.000 dollar voor, in die dagen een fortuin), maar hij stond al heel lang op haar verlanglijstje. Deels uit wraak: trots was ze namelijk dat ze als nice jewish girl (zoals ze het zelf omschreef) de diamant met de foute naam (hij behoorde aan mevrouw Krupp, van de Duitse familie die tijdens de oorlog de nazi’s voorzag van wapens) kon bezitten. Hij wordt aan het einde van dit jaar geveild bij Christie’s, als onderdeel van haar complete juwelencollectie, en zal naar verwachting vele miljoenen opbrengen.

Tolstraat

Door het kloven van de Cullinan kreeg Joseph wereldfaam. Het bedrijf floreerde. In 1906 liet hij een hoofdkantoor annex slijperij bouwen aan de Amsterdamse Tolstraat. Daar waar nu steeds die bezorgers aan de telefoon voor de deur staan; alleen is het gebouw niet meer eigen bezit, en huren de Asschers daar nu een verdieping. „Nog elke dag rij ik tegen het verkeer de Tolstraat in omdat je van daaruit het gebouw zo prachtig kan zien, in tegenlicht, tegen de blauwe lucht. Het imponeert nog altijd. Het is toch je geschiedenis.”

Als Amsterdams joods familiebedrijf heeft het natuurlijk een verschrikkelijk oorlogsverleden. Van de 750 slijpers die Asscher in dienst had, zijn er niet meer dan vijftien uit de kampen teruggekeerd. Ook veel familieleden zijn weggevoerd. Het gebouw en alle bezittingen zijn compleet leeggeroofd. „Daarna opnieuw beginnen is een bijna onmogelijke taak. Toch heeft men het gedaan. In Amsterdam. Mijn grootvader kreeg aanbiedingen om in New York te beginnen, maar de band met Amsterdam is te sterk. Misschien wel juist door die oorlog.”

Ondanks de familiegeschiedenis is er nooit druk op hem gelegd. „Ik ben nooit gepusht om in de zaak te gaan. Ik was als enige van mijn generatie als klein jongetje al gefascineerd door diamant. Ik speelde als kleuter in de slijperij. Mijn zus is pas onlangs in de zaak gekomen, ze deed eerst heel ander werk, en mijn broer is in heel andere zaken geïnteresseerd.”

Weer telefoon. Ik raak eraan gewend. Mike en zijn telefoon zijn een twee-eenheid. De band gaat ook verder dan telefoneren alleen. „We adverteren nauwelijks. Het is niet alleen heel duur, maar genereert ook niet snel en weids genoeg wat we beogen, namelijk brand awareness. Ik zweer bij de sociale media, twitter heel veel, beantwoord zelf alle reacties op Facebook. Zo ga je als een olievlek de wereld over. Ongelooflijk snel.”

Als de koffie en thee worden neergezet, met op elk schoteltje een half gesmolten chocolaatje, durf ik pas een vraag te stellen waar ik altijd huiverig voor ben bij diamantairs. Het zal niet de eerste keer zijn dat ik dan de wind van voren krijg, dus bewaar ik hem voor het laatst, om de sfeer niet te bederven: „Hoe zie je de rol van laboratoriumdiamanten in de toekomst?”

(Een korte uitleg tussendoor: De Beers, ’s werelds grootste diamantproducent, voorspelt dat er over twintig jaar geen diamanten meer gedolven zullen worden. De aarde zit er nog wel vol mee, maar ze zitten te diep waardoor delven meer kost dan ze ooit zullen opbrengen. Tegenwoordig kan men koolstof – diamant is niets anders dan gekristalliseerde koolstof – in de fabriek kunstmatig laten groeien tot diamant. Dat zijn geen namaakstenen, zoals Zirkonia’s, maar echte diamanten, die zelfs door kenners niet van echt zijn te onderscheiden).

Ik zie geen boos gezicht aan de andere kant van de tafel. Sterker: hij veert op. „Een geweldig product, veel goedkoper dan natuurlijke diamant, maar net zo echt, dus daar valt een hele nieuwe markt mee aan te boren. Ik ben een online-shop begonnen, mine-diamonds.com, waar alleen sieraden met laboratory grown diamonds worden verkocht. Eigen ontwerpen. Buiten Asscher om, je zult die naam niet terug-vinden, om geen verwarring te scheppen. Toen ik daarvoor ging inkopen, stuitte ik op een hele mooie roze steen van een half karaat die ik meteen voor mijn vrouw heb gekocht. Ik verwacht er enorm veel van in de toekomst en niet als concurrent van natuurlijke, maar ernaast. Je kunt het vergelijken met 100 procent natuurlijke parels en gecultiveerde.”

Als de rekening komt , vraag ik Mike waarom ik nergens een diamant bij hem bespeur. Hij doet zijn trouwring af, en aan de binnenkant zitten twee minuscule steentjes. Voor elk huwelijksjaar één.

Als hij op de scooter stapt, grijpt hij in zijn jaszak.

Telefoon.

    • Ivo Weyel