Crisis vraagt om moed

Het was een coïncidentie. Maar toch. Of het gaat om plunderingen in Engeland of onbeheersbare staatsschulden in het Westen, één beeld drong zich afgelopen week op: de brede politieke onmacht om een crisis de baas te worden. De volgende vraag laat zich raden: is de democratie wel crisisbestendig en in staat oplossingen te forceren?

President Obama uitte openlijk „twijfels bij het vermogen van ons politieke systeem om te handelen”. Ex-premier Lubbers pleitte ervoor om de Europese Centrale Bank de macht te geven hele landen onder curatele te plaatsen. Dat is effectiever dan politici die „hobbelen van de ene naar de andere vergadering”. ECB-president Trichet schreef geheime brieven waarin hij, als niet direct democratisch gemandateerd functionaris, de Italiaanse regering richtlijnen zou hebben gegeven.

Alle drie gaven daarmee te kennen dat de klassieke democratische besluitvorming, die altijd wat traag is en rekening moet houden met de volgende verkiezingen, geen gelijke tred kán houden met de snelheid die is geboden om een acute economische crisis aan te pakken.

Deze diagnose klopt. Dergelijke analyses worden vaker gemaakt in crisistijd. Soms monden ze ook uit in pleidooien voor machtigingswetten, zodat de regering een tijdje kan regeren zonder parlementaire controle, of nog verder gaande beperking van de formele democratie.

Maar zou dat nu ook helpen? Het is zeer de vraag. De huidige staatsschuldcrises zijn eigenlijk het gevolg van de credit crunch uit 2008. Ook toen was het adagium: verspil nooit een goede crisis. Maar het gebeurde wel. Nadat de grote systeembanken waren gered met publiek geld, ging veel weer zijn gangetje. Het idee dat de bankencrisis de maatschappij in den brede raakte, vatte te weinig post.

Eén van de consequenties is dat veel burgers anno 2011 nog steeds iets hebben als ‘jullie crisis is de onze niet’, hoewel de huidige crisis de reële economie en dus het dagelijks leven zal gaan bereiken. Dan zullen regeringen en parlementen wel ter verantwoording worden geroepen. En dan kan ook blijken dat de kloof tussen bestuurders en de burgers intussen zo groot is dat politici nog meer moed moeten verzamelen om impopulair beleid te voeren.

Het is een oud dilemma. In 1932 schreef SDAP’er Vliegen – de man die in 1918, toen Troelstra een heuse „revolutie” voorzag, nuchter zei dat hij „niet zijn leven voor het algemeen kiesrecht had gevochten om het na een week alweer af te schaffen” – in De sociaal-democraat: „het slechtste wat een volksmassa overkomen kan, is het hebben van leiders, die haar naar den mond praten”. Tachtig jaar later is dit nog steeds actueel. Alle partijen die weten dat er geen simpele oplossingen voor ingewikkelde problemen zijn, zouden dit nu moeten beamen.

Maar net als begin jaren dertig hebben deze partijen geen antwoord op de nieuwe stromingen die zich, anders dan toen overigens, binnen het democratische systeem zijn gaan nestelen. Te lang hebben politici ‘de mensen’ naar de mond gepraat uit angst voor diezelfde mensen. Te weinig hebben ze de waarheid over oorzaak en gevolg van de kredietcrisis uit te doeken gedaan. En dat zou zich weleens kunnen wreken nu er maatregelen moeten worden genomen die iedereen treffen.

Institutionele hervormingen, om het trage ritme van de democratie en het hoge tempo van de economie wat meer te laten sporen, zijn aan de orde. Maar de crises zijn te urgent om te wachten op een of andere staatscommissie. Elke dag kunnen een land en zijn democratie verder in het moeras zakken. Actie is geboden. Maar er zijn wel grenzen. In 1932 schreef Vliegen: „Wie nu het parlementaire stelsel en zodoende de demokratie wil verdedigen, moet zeker in de eerste plaats zorgen dat hij het zelf niet ondermijnt.” Doel en middelen moeten in balans blijven. Dat vergt veel van de politici die gewend zijn met schuin oog naar opiniepeilingen te kijken. Maar uiteindelijk zal politieke moed lonen.