Crisis leidt al tot minder democratie

Kan een democratie deze crisis wel aan? Politici in Europa en de Verenigde Staten moeten vertrouwen winnen van beleggers én kiezers. Maar wat goed ligt op de markt, pakt soms pijnlijk uit in verkiezingen.

Mark Beunderman

Italiaanse politici die klagen dat hun land eigenlijk geen „democratie” meer is. Noodkreten aan nationale parlementen om toch vooral haast te maken met het goedkeuren van een versterkt euro-noodfonds. De Amerikaanse president die refereert aan „twijfels bij het vermogen van ons politieke systeem om te handelen”. En Chinese functionarissen die klagen over „niet functionerende” besluitvorming in Europa en de VS.

Waarschijnlijk was nog nooit zo duidelijk als deze zomer hoe moeilijk de westerse democratie zich verhoudt met hectiek en crisissfeer op de financiële markten.

Beleggers verwachtten van Europese leiders de afgelopen weken vooral één ding: leiderschap. Die roep leek zondag dan eindelijk te zijn gehoord. De Europese Centrale Bank (ECB), besloot, in overleg met bondskanselier Merkel en president Sarkozy, op grote schaal staatsschuld uit Italië en Spanje op te kopen. Maar nu het crisismanagement intensiveert, klinkt ook de vraag naar het democratisch gehalte van de onder hoge druk genomen miljardenbesluiten.

Hoe democratisch moet een besluit van de ECB eigenlijk zijn? De ECB werd immers, naar model van de Duitse Bundesbank, opgericht als onafhankelijke, vooral niet politieke instelling. Maar tijdens de schuldencrisis is de rol van de bank snel politieker geworden: met de aankoop van obligaties begeeft de bank zich buiten traditioneel monetair terrein.

De ingreep van de ECB komt neer op de „onteigening” van de Duitse Bondsdag, vindt economisch commentator van de Berlijnse krant Der Tagesspiegel, Moritz Döbler. De ECB neemt grote risico’s, schreef Döbler dinsdag, „zonder dat zij daarvoor de democratische legitimiteit geniet”. „Als Italië of Spanje alsnog failliet gaat, moet de belastingbetaler de tekorten bij de ECB aanvullen”, legt Döbler telefonisch uit.

Als die euro moet worden gered – en Döbler vindt van wel – dan moeten niet de centrale bankiers dat doen, maar politici zelf. Daarvoor hebben ze middelen als het noodfonds waarvan Griekenland nu profiteert, zegt Döbler. Dát is de politieke weg om de crisis te lijf te gaan – de weg die veel hobbeliger is, omdat hij voert langs de parlementen van de eurozone. „Maar de democratie kan niet zomaar even uit het zadel worden gelicht,” zegt Döbler.

Europese leiders hadden waarschijnlijk even iets anders aan hun hoofd dan ‘democratie’, toen eerder deze maand de rentes op Zuid-Europese staatsleningen omhoog schoten. De parlementaire route zou te lang zijn. „De stap van de ECB kun je zien als substituut voor ontbrekend leiderschap van politici”, zegt socioloog en publicist Dick Pels. „Crisismanagement kan alleen worden uitgevoerd door een elite – precies de term die zoveel weerzin wekt van populisten, maar het is niet anders.”

Hoe moeilijk het is om de eurocrisis via de democratische weg te bezweren, blijkt uit de nervositeit over de parlementaire goedkeuring van het besluit van EU-leiders om het noodfonds EFSF meer bevoegdheden te geven. Vanuit de Europese bestuurskamers wordt gemaand tot haast. Maar in enkele nationale parlementen bestaat onbehagen. Niet alleen in Duitsland en Nederland, maar ook in Slowakije, dat de euro in 2009 invoerde. Het is dan misschien onverantwoordelijk om het EU-besluit af te wijzen, maar „Slowakije kan niet verantwoordelijkheid dragen voor alle pijn in de wereld.”, vindt de leider van de kleine liberale coalitiepartij SaS, Richard Sulik.

Juist deze manier van denken van nationale politieke elites is de kern van het probleem, zegt Miguel Poiares Maduro, hoogleraar Europees recht aan het Europees Universitair Instituut in Florence. „Het bestuur van de euro is afhankelijk van nationale politieke stelsels. Maar nationale politiek gaat hooguit over nationale kwesties met een Europese dimensie, nooit écht over het lot van Europa. Nationale politici nemen geen verantwoordelijkheid voor de effecten van besluiten op andere landen.”

Zo bezien is het niet verwonderlijk dat technocraten soms hun geduld met nationale politici verliezen – en de democratie van een land even buiten werking stellen. Want dat is wat er eerder deze maand in feite gebeurde met Italië. Dit land moet, als voorwaarde voor de bijstand van de ECB, een reeks acute bezuinigings- en liberaliseringsmaatregelen nemen. Het lijstje eisen uit Frankfurt leest als een ‘regeringsprogramma’, schrijft de Italiaanse krant Corriere della Sera. Mario Monti, oud-eurocommissaris, schrijft in dezelfde krant dat Italië in feite wordt geregeerd door een „supranationale technische regering”, een „marktregering” verspreid over Brussel, Frankfurt, Berlijn, Londen en New York.

Het is overigens de vraag hoe lang de Italiaanse politiek zich gebonden voelt aan wat wel het ‘Diktat ’ van de ECB wordt genoemd. Coalitiepartij Lega Nord is ambivalent over de steun voor de crisismaatregelen. Zij is vooral met één ding bezig: de verkiezingen van 2013. De ECB-interventie betekent óók dat de Italiaanse pensioenen op het spel staan. Leg dat maar eens uit aan de kiezer.

Het is het klassieke probleem van de parlementaire democratie, een stelsel waarin regeerperiodes korter zijn dan de tijd die nodig is voor de aanpak van lange-termijnproblemen. Op elke broze consensus volgt de polarisatie van verkiezingstijd.

Het is het probleem waaraan ook president Obama afgelopen week refereerde, nadat zijn land was afgewaardeerd door kredietbeoordelaar Standard & Poor’s. „We hadden geen kredietbeoordelaar nodig om ons te vertellen dat een evenwichtige lange-termijnbenadering van het terugdringen van de staatsschuld nodig is,” zei Obama. „Dat was vorig jaar al duidelijk. En toen ik aantrad ook al”. Maar, verzuchtte hij, Washington heeft de „hardnekkige neiging” om „eigenbelang, partij of ideologie” voorop te stellen. Hij leek bijna de kritiek te onderschrijven die Chinese functionarissen uitten op de westerse democratie, die zou lijden onder „onophoudelijk geknoei onder invloed van egocentrische belangen.”

In Europa en de VS worden nu, tegen wil en dank, ideeën gelanceerd om economisch beleid minder onderhevig te maken aan de grillen van de politiek. Soms betekent dat: technocratischer. Veelal ook: minder democratisch. Onder druk van Obama hebben Democratische en Republikeinse afgevaardigden een ‘supercommissie’ gevormd die voorstellen moet doen om het begrotingstekort fors te verlagen. De Senaat en het Huis van Afgevaardigden kunnen de voorstellen niet amenderen – alleen volledig aannemen of verwerpen. De invloed van individuele afgevaardigden wordt ingeperkt.

Plannen voor een strakker geleide eurozone gaan ten koste van de speelruimte van nationale parlementen. ECB-chef Trichet wil een EU-minister van Financiën; Duitsland stelt een ‘Stabiliteitsraad’ voor die sancties kan opleggen. Volgens Maduro moet een Europees „technocratisch lichaam” toezien op nationale begrotingen. „Je moet begrotingsbeleid uit de sfeer van het politieke trekken”. Europa deed dit eerder met bijvoorbeeld staatssteun aan bedrijven. De Europese Commissie hanteert vaste regels bij het beoordelen hiervan en legt landen boetes op. „Daar heb je geen politiek gedoe over elke kleine beslissing”, zegt Maduro.

Zo’n oplossing heeft één groot nadeel: EU-burgers krijgen minder politieke invloed op de begroting van hun land, die uiteindelijk gaat over heel concrete zaken: belastingen, ziekenhuizen en wegen.

Pels wil daarom méér democratie, op Europees niveau. „Zeker, Europa moet strakker worden geleid. Maar je moet ook de tegenmacht organiseren. Laat de EU-president direct kiezen. En organiseer Europese referenda”. Dit hoeft het economisch bestuur niet in de weg te staan, denkt Pels. „Democratie gaat niet perse over de korte termijn. Neem de verzorgingsstaat, een lange termijnproject waar verschillende naoorlogse regeringen aan hebben gewerkt. Zoiets kán. Maar politici moeten wel leiding durven geven.” Voorlopig voelen politici zich genoodzaakt om vooral te volgen. In crisistijd nemen niet zozeer de kiezers de leiding, maar bovenal de beleggers.