Wereldeconomie niet weer gered door China

Kan China, net als drie jaar geleden, de wereldeconomie redden?

En als de Chinezen dat al kunnen, wíllen ze het dan ook?

Een brug naar Taiwan, een kanaal naar India, een hoge snelheidslijn naar Europa, een Marshall-plan voor Afrika, miljoenen goedkope huizen en nog meer vliegvelden, snelwegen en kerncentrales. Rijp en groen, dol en dwaas, patriottisch en militaristisch, buitelen de Chinese twitterideetjes om de Chinese economie te beschermen tegen nieuwe „in het Westen gefabriceerde problemen” over elkaar.

Chinese investeerders zijn boos en ongerust door het aanhoudend sombere nieuws uit de VS en Europa. De nervositeit over de eigen economie wordt versterkt door de prognoses dat in het vierde kwartaal van 2011 de groei zal afzwakken tot onder de 9 procent als gevolg van gesynchroniseerde recessies in de VS en de EU.

In de Chinese en Hongkongse financiële pers is daarom door analisten van zakenbanken en commentatoren de vraag opgeworpen of China, net als dik drie jaar geleden, uit welbegrepen eigenbelang de wereldeconomie moet redden. Kunnen en willen de communisten met een mondiaal Plan B wederom de kapitalisten uit de modder van schulden, politieke besluiteloosheid en zwak leiderschap trekken?

En willen zij dat ook, gezien de hardnekkigheid waarmee de inflatie (6,5 procent in juli) toeneemt en de inflatie voor levensmiddelen piekt naar gemiddeld 14,5 procent.

„Ik denk niet dat het realistisch is dat wij opnieuw optreden als economische reddingswerkers, zoals in 2008”, denkt professor Li Weisen die aan de Fudan Universiteit in Shanghai en de Shanghaise Centrale Partijschool economie doceert. „Ik vermoed dat daar in het westen een beetje op gehoopt wordt. Er zijn misschien ook goede argumenten voor het stimuleren van de Chinese binnenlandse vraag, maar niet op de schaal en al helemaal niet in de vorm van 2008”.

In november 2008 – kort na de ondergang van Lehman Brothers en de ineenstorting van de Chinese exportsector waardoor 15 miljoen banen verloren gingen – kwamen de Chinese autoriteiten snel in actie. Er werd een stimuleringspakket van bijna 400 miljard euro (4.000 miljard yuan) gelanceerd en de commerciële staatsbanken kregen opdracht de sluizen open te zetten.

De gevolgen zijn bekend en zichtbaar: China is een reusachtige bouwput, van Peking en Shanghai tot aan het Tibetaanse Lhasa en Kashgar in Xinjiang. Het vastgoedaanbod groeit met 250 miljard dollar per jaar, Apple kan de vraag naar iPhones en iPads onmogelijk bijhouden en dat geldt ook voor de Duitse automakers die in de groeiende middenklasse een goudmijn hebben aangeboord.

Toch gaan er nu al stemmen op om het stimuleringskanon opnieuw in stelling te brengen. „Ik denk dat nieuwe vormen van stimulering zeker overwogen zullen worden door Peking en dat is ook wenselijk omdat, zoals het er nu naar uitziet, de VS en ook Europa in een gesynchroniseerde recessie raken’’, zei Jiang Chang van Barclays Capital gisteren op Bloomberg-tv.

Professor Li Weisen, maar ook Amerikaanse economen in de VS en China denken echter dat de mogelijkheden van de Chinese autoriteiten in 2011 drastisch verschillen van die in 2008. „We zijn nog bezig de maatregelen van 2008 te verwerken en dat merken we aan de inflatie die nu sneller stijgt dan verwacht”, aldus Li.

Een tweede beperking is, zegt hij, dat ook China een binnenlands schuldenprobleem lijkt te hebben. Volgens officiële cijfers staat China er goed voor met 3.200 miljard dollar aan buitenlandse deviezen, een begrotingsoverschot van 2,3 procent, schulden (lokaal en nationaal) ter grootte van 27 procent van het bruto binnenlands product en een groei van 9 procent. Ruimte genoeg voor de tweede versie van een stimuleringspakket met Chinese karakteristieken.

Maar volgens onlangs gepubliceerd onderzoek van de zakenbank USB in Hongkong hebben de Chinese banken een reusachtige, nog lang niet verwerkte kater overgehouden aan het stimuleren van de economie.

Het totaal van uitstaande bankleningen en verplicht aangekochte obligaties steeg in 2010 tot 121 procent van het binnenlands product. Tel daar de leningen die zich niet in de boeken bevinden bij op en USB komt op 180 procent van het Chinese bbp. Dat is ruim boven internationaal gangbare normen. Maar dat lijkt geen probleem te zijn.

In Red Capitalism, the fragile financial foundation of China’s extraordinary rise schetsen de in China werkzame Amerikaanse bankiers Carl Walter en Fraser Howie een beeld dat sterk overeenkomt met dat van zakenbank USB. Zij berekenen dat de Chinese banken voor 2.900 miljard dollar aan slechte leningen hebben uitstaan, ongeveer 20 procent daarvan aan de lokale overheden en staatsbedrijven. Het totaal aan oninbare leningen zou 15 procent van het bbp bedragen. Ook weer volgens internationale normen kraakt het Chinese financiële systeem dus in zijn voegen. Standard & Poor’s denkt zelfs dat eenderde van het totaal aantal uitstaande leningen van 1.100 miljard dollar afgeschreven moet worden worden.

„Maar nooit vergeten moet worden dat Chinese banken ogen als Westerse banken, zich gedragen als Westerse banken door allerlei nieuwe Westerse producten als creditcards te introduceren, maar geen Westerse banken zijn”, zegt de in Peking woonachtige Walter.

Hij en zijn collega beschrijven financieel China als een fort. Een aparte wereld met eigen wetten en zonder internationale concurrentie of toezicht. De banken in dat fort mogen dan internationaal beursgenoteerd zijn, maar zijn van de staat en de staat bepaalt aan wie geleend wordt en dat zijn staatsbedrijven en lokale overheden.

Ook hij denkt niet dat China opnieuw zal besluiten miljarden in infrastructuur te pompen, althans niet op dezelfde wijze als in 2008. „De fragiliteit van het financiële systeem is, als de topleiders al de cijfers over slechte leningen precies kennen, geen hoofdzorg. Dat is de inflatie, die voor grote sociale onrust kan zorgen. Inflatie bestrijden rijmt niet met het opnieuw openen van de leningensluizen, het sluiten van die sluizen was al zo’n moeizaam proces”, aldus Walter.

Hij legt uit hoe het financieel-politieke systeem in China werkt. De bankier: „Chinese banken zijn staatsbedrijven, de bestuursvoorzitters zijn topambtenaren door de partij benoemd, en fungeren als armen van de CPC. De banken vormen het centrum van de financieel-politieke macht van de partij.” In deze uitleg van het Chinese financiële systeem liggen de antwoorden besloten op de vraag waarom China de yuan niet internationaal verhandelbaar maakt en tot nu toe niet in staat is gebleken de binnenlandse particuliere consumptie te vergroten en liever nieuwe leegstaande huizen, stille wegen, vliegvelden en industrieterreinen bouwt.

Professor Li: „De leiders van onze staatseconomie zijn totaal gefixeerd op groei creëren door middel van het aanleggen van infrastructuur en door de export. Maar we moeten minder afhankelijk worden van het buitenland, we moeten onze economische structuur juist veranderen van exportgerichte naar binnenlandse consumptie”. En zegt Li: „Dat zou ook een bijdrage zijn aan het in balans brengen van de wereldeconomie. Dit is een pijnlijk proces dat op veel tegenstand stuit en daarom vele jaren in beslag zal nemen.”

Vergroten van de Chinese binnenlandse consumptie (nu 36 procent van het bbp, in de VS en de EU is dat 70 procent) zou het antwoord zijn op alle problemen in het Westen. Maar de Chinese consumenten, los van de bovenlaag van de middenklasse, spenderen nog lang niet zoals hun Westerse evenknieën. Of zij geven hun inkomens volledig uit aan levensonderhoud, of sparen voor kostbare, vaak niet verzekerde medische zorg en aanvulling van kleine staatspensioenen.

„Er is nog maar heel voorzichtig een begin gemaakt met de opbouw van een toegankelijk gezondheidszorgsysteem en de hervormingen op het gebied van pensioenen zijn vastgelopen”, aldus Li. Hij hoopt dat China zijn reusachtige reserves, die ontstaan zijn door de voortdurend stijgende handelsoverschotten, gaat gebruiken voor investeringen in de zorg, de pensioenen, het milieu en het leefbaar houden van de steden.

„We kunnen niet blijven doorgaan met bouwen, asfalt leggen en onze lucht en rivieren vervuilen”, vindt professor Li. „We zien ook dat de waarde van onze deviezen verdampt door de dalende dollar en de stijgende yuan. Ik ben het eens met veel critici die zeggen dat we ons geld beter kunnen gebruiken dan het uitlenen aan de Amerikanen”

    • Oscar Garschagen