Te land, ter zee en in de mist

Nijdige nijlpaarden, Antarctica bij 60 graden onder nul, een Zoeloe-echtpaar op weg naar de markt – het is allemaal te vinden in een spetterend drieluik met foto’s van National Geographic.

De foto’s; Gezichten van de wereld; Mooiste plekken van de wereld. Vert. Ilse van de Meijden- berg. National Geographic, 306 blz. €20,- elk

National Geographic, de wereldwijde producent van tijdschriften, tv-documentaires en reisadviezen, kent eigenaardige medewerkers. Zo was er de Oostenrijkse fotograaf Joseph F. Rock, een autodidact die begin vorige eeuw met een opvouwbare badkuip, tafellinnen, pistolen en een grammofoon door China trok, geëscorteerd door een man of 200. Hij ontdekte bergtoppen waar geen geograaf ooit van gehoord had. Zijn latere collega, Willam Albert Allard, bracht 13.000 kilometer op het zadel van een motorfiets door om de Amerikaans-Mexicaanse grens vast te leggen. En vergeet ook David Doubilet niet, die al weer zo’n dertig jaar onder water werkt en daar miraculeuze close-ups heeft gemaakt – zie ook Fish Face (2003) – van kleine en grote vissen die ondanks hun spetterende uitdossing een monsterlijke uitstraling krijgen.

Deze heren en hun werk kom je tegen in drie net verschenen fotoboeken. Elk met een inhoud van ruim 200 foto’s en elk zo groot als een vierkant gevouwen servet. De foto’s zijn opgedoken uit de archieven van National Geographic in Washington DC, dat zich tot doel heeft gesteld de wereld in beelden te verkennen. En dat is gelukt, want dankzij ontdekkingsreizigers, wetenschappers en fotografen telt het archief nu ruim tien miljoen fotobeelden.

Uit die massa zijn drie selecties gemaakt – Foto’s, Mooiste plekken van de wereld en Gezichten van de wereld – en die kunnen alleen maar teleurstelling opleveren. Niet bij de kijker, want die weet niet wat er is weggelaten. Die prijst zich gelukkig dat anderen het als een fijne uitdaging zagen om bij 60 graden onder nul Antarctica te doorkruisen of om in een Keniaanse rivier een nijdig nijlpaard tegen het lijf te lopen.

Vaak draait het in eigentijdse natuurdocumentaires van National Geographic om eten of gegeten worden. Je kijkt in de glanzende pingpongbalogen van een hertejong en even later vreten hyena’s zich een weg door zijn vachtje. In deze drie boeken ontbreekt de dood, behalve dan die ene opname van vier afgehakte hoofden die ooit toebehoorden aan Chinese criminelen (1927). Bijna alle andere opnamen te land, ter zee of uit de lucht zullen buitenaardse bezoekers vertellen hoe groots en veelzijdig, hoe drukbevolkt en leeg, hoe magisch en onbarmhartig deze planeet is.

Het algemene deel Foto’s bestrijkt vooral de laatste decennia. Zoek niet naar samenhang, want die is er niet. Op de ene pagina mijmert paus Johannes Paulus II in de tuin van zijn Gandolfo-kasteel bij Rome, waar een fotograaf na eindeloos meieren toegang toe kreeg, en even verderop kleurt een baai dieprood door het bloed van grienden – toch weer de dood! – waar bewoners van de Noord-Atlantische Faeroër eilanden jacht op maken.

In bijgaande teksten mag dan de lof gezongen worden van fototechnische vooruitgang en luchtvaarthoogstandjes, er is ook genoeg continuïteit op deze planeet. Als er weer eens hongersnood is in Somalië, dit keer in 1992, trekt een vrouw met ontstoken ogen een zwart stuk gaas over haar hoofd, ter bescherming tegen insecten. Ze verandert in een grijnzende schedel met betraande ogen.

In Mooiste plekken van de wereld domineren landschappen die doorgaan voor subliem. Neem bijvoorbeeld het meer dan weelderige eiland Maui, Hawaï, waar je graag zou aanspoelen, of het ruige Thingvellier op IJsland, een nationaal park waar sinds 930 de leiders van dat land jaarlijks bijeenkomen. Schemering, mist, zonsop- en zonsondergangen maken dat sommige streken deze planeet ontstijgen en een hemelse dimensie krijgen ook voor hen die de goddelijke hemel aan hun laars lappen. Het motto ‘zoek een verhaal dat bijna onmogelijk is om te fotograferen en fotografeer dat’, waar National Geographic-fotografen mee op pad worden gestuurd, wordt dan bewaarheid.

Gezichten van de wereld is het meest informatieve deel. Fotografen vertellen in korte hoofdstukken onder meer wat hen drijft bij het vastleggen van een mensbeeld: karakters, ogen, levendigheid of bevestiging van de eigen identiteit. Er zijn er ook die liever de houding aannemen van ‘de vlieg op de muur’, de roerloze buitenstaander. En menigeen herinnert er nog even aan dat de komst van de digitale camera lang niet zo revolutionair is geweest als de lichte camera die in de jaren dertig op de markt kwam. Het portret veranderde toen fundamenteel: statische studio-opnamen – een genre waar blijkbaar elke fotograaf nu de pest aan heeft – maakten plaats voor toeval, beweeglijkheid, natuurlijke ambiance – de drie boeken staan bol van de bewijsvoering.

Of fotografie daarmee ook a priori interessanter wordt is maar de vraag. Kijk naar dat Zoeloe-echtpaar op weg naar de markt, de man draagt een paraplu ter verdediging (1971). Let op die vrouw in boerka die met gekooide goudvinken op het hoofd in Kabul poseert (1968). En dan die andere vrouw die zich bijna een eeuw geleden verkleed had voor een visdans op het eiland Nauru (1921), het kleinste land van Oceanië. Deze drie opnamen zijn stuk voor stuk frontaal, statisch en gespeend van wat voor beweeglijkheid dan ook. Bijna studio-portretten dus, maar niettemin zeer bezienswaardig.

Met zelfverwijt kijkt de National Geographic-staf nu terug op exotische opnamen als die van de dame op Nauru. De niet-westerse vreemdeling werd gezien als een type, een curiositeit, en gekleurde vrouwen dienden bij voorkeur half naakt geportretteerd te worden. Genant en arrogant, maar gelukkig waakt National Geographic vanaf 1888 ook over die duistere facetten van de fotogeschiedenis.

    • Marianne Vermeijden