Syrië Assad stoort zich niet aan de wereld

Opgevoerde sancties van westerse landen en boze verklaringen van buren hebben nog nauwelijks invloed op Bashar al-Assad. Hij rekent erop dat de wereld ingrijpen in Syrië te duur en te ongewis vindt. De oppositie is zwak.

De internationale druk op het Syrische regime groeit, met boze verklaringen en toenemende sancties, maar president Bashar al-Assad stoort er zich niet aan. Met duizenden tanks, scherpschutters en politie in burger blijft hij proberen de demonstraties tegen zijn bewind neer te slaan.

Zijn bewind heeft het recht „gewapende terreurgroepen” aan te pakken, repliceert hij. Volgens Syrische mensenrechtenorganisaties zijn sinds de opstand half maart begon, meer dan 2.000 burgers gedood.

De Saoedische prins Turki al-Faisal, die vaak de gevoelens in het Saoedische leiderschap vertolkt, ziet parallellen met de situatie in Libië. Hij zei onlangs: „President Assad zal zich aan de macht vastklampen tot de laatste Syriër is gedood.” Het zicht op oud-president Mubarak in de verdachtenkooi van een Egyptische rechtbank stimuleert leiders in de verdrukking alleen maar om te blijven vechten.

De demonstranten op hun beurt weten evenmin van wijken. Wilden zij aanvankelijk nog genoegen nemen met ingrijpende hervorming van het eenpartijstelsel, nu eisen zij het onmiddellijke aftreden van het hele regime.

Maar het Syrische verzet is (nog) niet duidelijk georganiseerd, wat voor een belangrijk deel het resultaat is van de jarenlange inspanningen van het regime elke oppositie te onderdrukken.

Er zijn de honderdduizenden demonstranten, die na het vrijdaggebed, of nu tijdens de islamitische vastenmaand ramadan elke avond na het uitgaan van de moskee, min of meer spontaan de straat opgaan.

Er zijn de oude, seculiere oppositieleiders – ex-parlementsleden, schrijvers en rechters – die hun hele leven al gevangenis-in, gevangenis-uit gaan en hun stem blijven verheffen.

Er zijn talrijke oppositie-activisten in het buitenland, van wie sommigen al tientallen jaren niet meer in Syrië zijn geweest. En er zijn liberalen en fundamentalisten, christenen en moslims, Arabieren en Koerden.

Zij proberen allemaal op conferenties in het buitenland een gemeenschappelijk platform te vinden. Dat is nog niet helemaal gelukt. „Wat we in Syrië zien is een beweging vanuit de gewone bevolking”, zei deze week een woordvoerder van de Amerikaanse regering, die de oppositie van nabij volgt. „Mijn gevoel is dat ze zich nog ontwikkelt en dat ze niet even samenhangend is als misschien in Libië het geval is.”

De optelsom van een vastbesloten regime, dat vooralsnog het monopolie heeft op de zware wapens, en een even vastberaden oppositie, die de mankracht heeft, is een impasse.

De oppositie heeft haar hoop gevestigd op het uiteenvallen van het leger, wat haar ook wapens in handen zou spelen – en een burgeroorlog dichterbij zou brengen. Een andere mogelijkheid zou een interne coup zijn. Maar noch van massale deserties noch van onderlinge spanningen zijn er tot dusverre betrouwbare aanwijzingen.

Carolien Roelants

    • Carolien Roelants