Seks, drugs en bijdehante huisgenoten

Renske Jonkman: Zo gaan we niet met elkaar om. Nijgh & Van Ditmar, 320 blz. € 17,50

Zet een uitroepteken achter de titel van het debuut van Renske Jonkman en je denkt met een blijspel of lichtvoetige komedieserie van de publieke omroep te maken te hebben. Je hoort het Joke Bruijs in de teaser al zeggen tegen Gerard Cox: „Maar Jaap, zó gaan we niet met elkaar om!”

Lichtvoetig is Jonkmans roman echter niet bedoeld. Hazel, een meisje uit Heerhugowaard, raakt hopeloos verdwaald in de grote stad Amsterdam, intussen ook nog worstelend met het lot van haar broer Jaris, die met een combinatie van godsdienstwaanzin en schizofrenie in een psychiatrische inrichting is beland.

Het rommelige leven van Hazel in Amsterdam en de herinneringen aan Jaris houden verband met elkaar. Tenminste, dat wil Jonkman de lezer doen geloven. Ze wisselt hoofdstukken over haar jeugd met Jaris af met hoofdstukken over haar hoofdstedelijke leven, dat het midden houdt tussen ongeïnspireerd hedonisme en besluiteloosheid.

Een deel van Hazels twijfels komt voort uit haar studie filosofie. Wellicht had Jonkman een interessanter boek geschreven wanneer ze Hazel had geportretteerd als iemand wier vorming in een net gezin op losse schroeven wordt gezet door haar studie in de geesteswetenschappen. Maar dat gebeurt niet. De kloof die groeit is niet intellectueel van aard, maar wordt, hoe Hollands, gevormd tussen een doorzonjeugd en een ‘losbandig’ leven in Amsterdam. Dat laatste bestaat dan uit drugs, seks, drank en bijdehante huisgenoten.

De filosofie krijgt in het boek een marginale rol toebedeeld. Hier en daar valt wat over Kant en het zijn en de tijd te lezen, maar wat daar nu precies de uitwerking van is op Hazel wordt niet geheel duidelijk. Zo gaan we niet met elkaar om wordt op het flapje aangekondigd als een coming-of-age-roman. Correct, want voor een Bildungsroman wordt er toch wat te weinig gebildet.

Opmerkelijk is dat Hazel zich in het boek vrijwel niet met andere vrouwen omringt, het zijn de mannen die in haar leven de dienst uitmaken. Het invloedrijkst zijn Das en Keizer, twee ‘vrienden’ die Hazel voortdurend tot de grond affikken maar aan wier aanwezigheid Hazel niet lijkt te kunnen ontkomen. Dat gebrek aan doortastendheid kenmerkt Hazel, en daarmee de roman.

Net als Hazel heeft ook Jonkman geen duidelijke keuze gemaakt en blijft onduidelijk wat ze nu daadwerkelijk met haar lezers wil delen. Het gevolg is dat je aan het eind van de roman nog steeds dezelfde soort anekdotes zit te lezen die een fictieve vertelling wellicht op weg kunnen helpen, maar nooit rond zullen maken. Het suddert, het blijft sudderen, en het komt sudderend tot een einde.

‘Uiteindelijk rotzooit iedereen maar wat aan’, laat Hazel zich al ruim voor de helft van het boek ontvallen. De lezer zit dan nog ruim 250 pagina’s opgescheept met iemand die al op zo’n jonge leeftijd zulke breiclubaforismen uit haar mouw schudt.

    • Sebastiaan Kort