Niks geen louche types

Waarom zou je naar Marseille gaan?

Omdat er een standbeeld staat van de Griekse avonturier Pytheas, die Nederland ontdekte.

Deze bijvoorbeeld: „UNE HONTE! Cet hôtel est un hôtel de passe, il y’a des prostituées dans les chambres, c’est inadmissibles!!! cest scandaleux!”. Of deze: „The neighbourhood is awfull, scary as hell at night”.

En zo ging het nog even door op booking.com. Ik las tientallen recensies over matrassen met luizen, rondslingerende gebruikte condooms, in slaap gedommelde nachtportiers. Toen wist ik zeker dat ik Hotel du Petit Paris moest boeken: ik wilde naar Marseille in de voetsporen van de grote Griekse ontdekkingsreiziger Pytheas en dan moet je avontuur niet uit de weg gaan.

Pytheas was de Marco Polo van de Oude Grieken. Hij vertrok eind vierde eeuw v. Chr. vanuit Marseille en ontdekte Noord-Europa. Het noorden, de Grieken wisten alleen dat het daar vreselijk koud was. Pytheas ging er als eerste geletterde mens zelf kijken. Volgens sommigen voer hij langs de kust van Frankrijk via Engeland naar IJsland en via de Oostzee, de Waddenzee en Zeeland weer naar huis. Het was er inderdaad koud, noteerde hij in zijn boek Omtrent de oceaan.

In Marseille staat een standbeeld van de held. Dat beeld wilde ik met eigen ogen zien – zo af en toe moet je een doel in je leven verzinnen.

Van Pytheas’ boek zijn alleen wat snippers overgeleverd. Latere schrijvers als Strabo vonden hem een fantast. Anderen betwijfelden of hij überhaupt wel op reis was geweest. Niet echt fair, die verdachtmakingen, maar ook niet zo heel gek: Pytheas beweerde bijvoorbeeld dat er voorbij het eiland Thule geen onderscheid meer bestaat tussen lucht, water en aarde, maar alleen een mengsel van die drie, een geleiachtige substantie die de basis van het heelal zou zijn.

Hoe dan ook, pas vele eeuwen nadat Pytheas Noord-Europa ontdekte, ontdekten de mensen in Noord-Europa op hun beurt de oude Grieken. Het verhaal is bekend: dankzij die renaissance kwam de wetenschap op gang en vervolgens ook de techniek en daarna het kapitalisme, zodat je fast forward een paar eeuwen verder voor acht euro van Eindhoven naar Marseille kunt vliegen met Ryanair.

Eindhoven Airport is een ontroerend speelgoedvliegveldje, met in de vertrekhal weinig meer dan een koffiecorner en een tafelvoetbalspel. Vliegen is tegenwoordig even glamoureus als een HEMA-theedoek. Tijdens mijn twee uur durende tocht naar het verre zuiden gebeurde dan ook weinig opzienbarends.

En toen was daar Marseille. Vanuit de lucht leek het geen stad, maar een vredig vissersdorpje omringd door een brede, witte kraag van flats.

Hotel du Petit Paris was inderdaad wat morsig, maar de horrorrecensies op booking.com bleken overdreven. Ik betaalde dertig euro voor een nacht en kreeg wat je voor zo’n bedrag mag verwachten: een kapotte douche en een bed zonder snoepje op je kussensloop. Maar niks geen louche types, prostituees of dronken nachtportiers – of dat moet zich allemaal achter mijn rug om hebben afgespeeld.

Ook de buurt was bijna teleurstellend beschaafd. De smalle winkelstraatjes waren ’s nachts wat stilletjes, maar om de hoek was Snack Selsabil gewoon open. Ik kocht er een broodje kebab en ging vervolgens naar Bar Berit om een pastis te proeven, het lokale anijslikeurtje, maar ze hadden alleen Becks. Terug in het hotel plaste ik in de wasbak omdat de wc op de gang was en voelde me gedurende enkele seconden intens eenzaam.

De volgende ochtend ging ik op zoek naar het standbeeld van Pytheas. Het zou zich volgens Wikipedia moeten bevinden tegen de gevel van het oude beursgebouw aan La Canebière, de belangrijkste boulevard van Marseille. De wandelroute had ik van tevoren goed doorgenomen; er is weinig zo gênant als er op straat uitzien als iemand zonder doel.

Wikipedia was correct: daar stond Pytheas. Hij had een kordate kin, maar zijn frons gaf hem ook iets van een gefnuikte klokkenluider. Aan zijn voeten had de beeldhouwer een zeehondje gelegd.

Snel een foto gemaakt. Missie voltooid. Wat nu?

Het knust in Marseille zijn de wijken rond de oude haven, met de kroegjes en de loungebarretjes en overdag de beroemde vismarkt aan de Quai des Belges, waar je poedelnaakte octopussen kunt spotten en allerlei andere curieuze vissen waarvan je de naam niet weet. En vlakbij die vismarkt, aan de kade, kun je in het asfalt een bronzen plaquette vinden met in Romeinse kapitalen de volgende tekst (vertaald uit het Frans):

OP DEZE PLEK, ROND 600 V. CHR., KWAMEN GRIEKSE ZEELIEDEN AAN WAL AFKOMSTIG UIT PHOCEA, EEN GRIEKSE STAD IN KLEIN-AZIË. ZIJ STICHTTEN DE STAD MARSEILLE, VANWAAR DE BESCHAVING ZICH NAAR HET WESTEN VERSPREIDDE.

Het was ook precies op deze plek dat ik besloot om de beschaving te verlaten en scheep te gaan naar een onherbergzame eilandengroep – je leeft tenslotte maar een keer.

De zee was kalm. Na een half uur kwam een eilandje van witte kalksteen in zicht. Dat moest Ratonneau zijn, het grootste eiland van de

Frioul-archipel. Volgens de folder woonde er een intimiderende hoeveelheid beschermde diersoorten, waardoor je er niet mocht kamperen, fikkie stoken, afval op de grond gooien, bloemen plukken, honden loslaten, toeteren, fietsen, klimmen, autorijden of je zaklantaarn gebruiken.

Alsof ik dat van plan was. Bij een restaurantje in de jachthaven bestelde ik een onbekend gerecht. Ik kreeg een bord met een merkwaardige, weekdierachtige substantie – geen lucht, geen water, geen aarde, maar een mengsel van die drie, ik zweer je.