Niet Sparta, maar Athene begon

Een halve eeuw nadat ze de Perzen hadden verslagen, vochten Sparta en Athene een vernietigende oorlog uit. Respect was het sleutelwoord in de aanloop naar het conflict.

J.E. Lendon: Het lied van de wrok. Athene vs. Sparta, 431-421 v. Chr. (Song of Wrath. The Peloponnesian War Begins). Vert. Corrie van den Berg en Carola Kloos. Ambo, 567 blz. €49,95

De Grieken uit de 5de eeuw voor Christus spraken vol trots over de Perzische Oorlogen. En daar hadden ze goede redenen voor. Hun zwaarbewapende soldaten hadden de Perzen in 490 teruggeslagen bij Marathon, een gebeurtenis die dezer weken voor de 2500ste keer wordt herdacht. Tien jaar later hadden de Griekse schepen in de zeeslag bij Salamis de vloot van de indringers een nieuwe nederlaag toegebracht.

De dreiging van vreemde overheersing was afgewend. Maar in plaats van de handen ineen te slaan en zich te verenigen tot een sterke natie, gedragen door een gemeenschappelijke cultuur en religie, vatten ze hun traditionele onderlinge competitie weer op. De twee belangrijkste stadstaten, Athene en Sparta, groeiden zo ver uit elkaar dat ze ten slotte in een oorlog verwikkeld zouden raken, die desastreuze gevolgen voor alle betrokken partijen zou hebben. De Peloponnesische Oorlog zou 27 jaar duren, van 431 tot 404, en putte het land zo uit dat het zich in de volgende eeuw nauwelijks tegen nieuwe indringers kon verdedigen. Uiteindelijk werden de Macedoniërs de nieuwe machthebbers.

Onze kennis van de Peloponnesische Oorlog is grotendeels gebaseerd op het verslag van de Athener Thucydides. Hij wist waar hij het over had, hij was een ooggetuige: hij had meegevochten. Nadat hij in 423 als strateeg de stad Amphipolis niet tegen de Spartanen had kunnen verdedigen, had hij zich uit het openbare leven teruggetrokken en zich gewijd aan de verslaglegging van de oorlog die hem zijn politieke carrière had gekost.

Aan moderne studies over deze wrede oorlog die Griekenland tot op het bot verdeelde en enkele honderdduizenden het leven kostte, heeft het niet ontbroken. Nog maar kort geleden hebben Donald Kagan en Victor Davis Hanson de gruwelijkheden van de ‘grote burgeroorlog’ behandeld. En nu is er dan Het lied van de wrok, dat zich van de andere onderscheidt doordat niet de hele oorlog maar alleen de eerste tien jaar, tot 421, vanuit een nieuw perspectief uitputtend worden behandeld – een mooie aanvulling op de bestaande analyses.

Meestal gaan historici ervan uit dat de groei van de macht van Athene de jaloezie van Sparta opwekte, waardoor een oorlog onvermijdelijk werd. J.E. Lendon ziet dat anders. Hij gaat heel ver terug in het Griekse verleden en neemt de competitie die de Griekse wereld al sinds de tijden van Homerus in zijn greep hield als uitgangspunt.

Homerische helden als Achilles, Odysseus en Ajax werden beheerst door timè. Dat woord is voor ons moeilijk te vertalen, het betekent zoiets als waardigheid, die verkregen werd wanneer men streefde naar eer en roem. De helden die elkaar probeerden af te troeven werden in de Griekse wereld een inspiratiebron voor anderen, aristocraten vooral. Maar, zo schrijft Lendon, ook overheden droegen timè uit, want Grieken waren geneigd om hun steden te zien als een soort uitvergrote persoonlijkheden. Soms kon die competitieve mentaliteit van een stad uitlopen op hubris, overmoed, met alle gevolgen van dien.

Ondanks zijn soms wat wijdlopige beschrijvingen houdt Lendon de hoofdlijn van zijn verhaal goed vast. Niet de Spartanen waren volgens hem de aanstichters van de oorlog, maar de Atheners die zich in timè de minderen voelden en een gelijke status wilden verwerven. Sparta trok ten strijde om het aanzien, dat het al heel lang genoot (onder meer door het heldhaftige gedrag bij Thermopylae van hun voorouders, die hun leven gaven om de Perzen op afstand te houden) niet te verliezen. Athene was de uitdager en probeerde een hogere plaats in de rangorde te bereiken.

Er is inderdaad veel te zeggen voor deze rivaliteitsgedachte, maar tegelijk vraag ik mij af of Lendon niet te ver gaat in zijn theorie over de uitdagersrol van Athene en of hij aan de andere kant de angst voor decorumverlies van Sparta niet te zwaar aanzet. Ook hij kan er niet omheen dat Athene in de voorgaande decennia een stad was geworden die bij de andere stadstaten zowel bewondering als jaloezie opriep. Men hoefde maar naar de Akropolis te kijken om te zien waartoe de machtsontplooiing van Athene had geleid. Sparta mocht zich dan militair superieur voelen, Athene had door zijn sterke vloot en zijn ‘zee-imperium’ een positie opgebouwd die respect afdwong.

Interessant is de conclusie van Lendon, dat Athene zich bij de wapenstilstand van 421 als overwinnaar mocht beschouwen. De stad had weliswaar een derde van zijn bevolking verloren en de schatkist was vrijwel leeg, maar het imperium van Athene was intact, terwijl Sparta’s alliantie ernstige scheuren vertoonde. Sparta zou nog jaren nodig hebben om de relaties met zijn bondgenoten te herstellen.

We weten dat Athene de Peloponnesische Oorlog uiteindelijk heeft verloren. In 415 besloten de Atheners tot een immense vlootexpeditie naar Sicilië. Was dat uit verlangen naar nog meer timè? Of was het gewoon machtsvertoon en de verwachting het eiland zonder al te veel problemen te kunnen veroveren? Hoe dan ook, de onderneming liep uit op een catastrofe. Het voordeel van de ‘successen’ in de eerste fase van de oorlog was in één klap teniet gedaan. De timè van Athene liep een enorme deuk op. Het was het begin van een terugval, die in 405 bezegeld werd met de nederlaag van de Atheense vloot. De timè van Athene was verbrijzeld, Sparta stond (tijdelijk) weer aan de top. Het zou mooi zijn als Lendon besluit ook die beslissende fase van de Peloponnesische Oorlog vanuit zijn theoretische kader te beschrijven.