Niemand wilde achterlopen in zaak-Peters

Hoe de media verslag doen van de affaire rond Mariko Peters, maakt weer duidelijk dat stilzitten niet meer helpt, ontdekt Sjoerd de Jong.

Wie is Mariko Peters en hoeveel moeten we van haar weten?

Het Kamerlid voor GroenLinks, beschuldigd van kinderontvoering en belangenverstrengeling, maakte vanaf de voorste rij mee hoe nieuws met zichzelf aan de haal kan gaan.

De beschuldiging van kinderontvoering is inmiddels zo goed als verdwenen. Als het waar zou zijn: een onfrisse privézaak, maar zeker geen kwestie van algemeen belang.

Dat ligt anders bij de beschuldiging van belangenverstrengeling. Peters heeft als ambtenaar in Afghanistan een dure fout gemaakt door te adviseren over een project van een man voor wie ze als een blok aan het vallen was. Verklaarbaar misschien, in de ontregelende spanning van een post in oorlogsgebied, maar het blijft een ambtelijke misstap. En des te pijnlijker, omdat juist haar partij zo hamert op het voorkomen van ook maar de schijn van belangenverstrengeling. Dat kan dus gevolgen hebben voor het Kamerlid.

Alleen, dit is toch niet een politieke misstap van het kaliber Wijnand Duyvendak, haar partijgenoot die in 2008 aftrad omdat hij in een eerder leven betrokken was geweest bij inbraak en diefstal van geheime overheidsdocumenten. En ook een stuk minder ernstig dan de criminele praktijken van de wegens corruptie veroordeelde politicus ‘Sjoerd S.’

Hoe kon de zaak dan zo oplaaien?

Peters is daar voor een deel zelf debet aan, door haar lang volgehouden zwijgen. Het oude adagium ‘wie geschoren wordt, moet stil zitten’ gaat niet meer op in een permanente nieuwscyclus van 24 uur, waarin de media even koortsig over elkaar buitelen als de „duizend kleine gedachten aan jou” waar Peters het in haar blozende e-mails over heeft.

Ze had direct duidelijk kunnen maken dat de ellendige toestand met de ex-vrouw van haar vriend en diens kinderen een privézaak is, waar de pers niets mee te maken heeft – en waar lezers de gênante details van bespaard kunnen blijven. En ze had direct openheid van zaken moeten geven over de tweede kwestie, die nu is uitgegroeid tot de hoofdzaak.

Bij gebrek aan uitleg kreeg de zaak een eigen dynamiek. De pers rook bloed en dus verschoof het front. Het artikel van freelance journaliste Lise Witteman in HP/De Tijd, waar vorige week woensdag alles mee begon, draaide nog volledig om de ‘ontvoering’. De zakelijke banden van Peters en Kluijver werden in het stuk geparkeerd in een bescheiden kader met een kop met een vraagteken erboven (Vriendjespolitiek?). Een week later is het precies andersom.

Peters heeft op zichzelf weinig reden te klagen dat die ‘zakelijke’ e-mails nu op straat liggen. Ze was in Kabul tenslotte niet op vakantie, maar aan het werk als ambtenaar.

Maar moeten alle remmen los?

Peters ‘begon verliefd te worden’, kopte de Volkskrant woensdag boven een paginagroot stuk van Jan Hoedeman en dezelfde Lise Witteman, die nu kennelijk ook voor de ochtendkrant werkt. De aanhef luidde: „Mariko Peters erkent dat zij al verliefd begon te worden op haar levenspartner Robert Kluijver toen zij…”

Het Kamerlid „erkent dat ze verliefd begon te worden”. Ja, de onderzoeksjournalistiek heeft een lange weg afgelegd sinds Watergate. Het is wachten op nader spitwerk over het stadium waarin Peters zich bevond. Wat deed ze met wie, en wanneer?

Oud-minister Ben Bot (Buitenlandse Zaken, CDA) – die in het stuk het optreden van Peters ronduit veroordeelt – protesteerde naderhand dat hij antwoord had gegeven op hypothetische vragen. De krant houdt vol dat hij letterlijk is geciteerd.

NRC Handelsblad had een dag eerder de primeur van Peters’ weerwoord. Ook deze krant zat achter haar aan voor een interview, en Peters zocht uiteindelijk via de Haagse redactie contact om haar verhaal te doen. Dat zette de zaak een beetje in perspectief, zij het dat er wel vragen overbleven. Je kunt jezelf immers integer vinden, maar hoeveel zegt dat?

De krant drukte ook, voor de tweede keer, flarden af uit haar e-mails aan Kluijver, hoewel de krant niet over die correspondentie beschikt. De echtheid van de flarden was de eerste keer bevestigd door anderen, de tweede keer door Peters zelf.

Zo gaat het dus: wie niet beweegt als hij wordt geschoren, is de klos.

Intussen is het contrast tussen de behandeling van Peters en ‘Sjoerd S.’ opmerkelijk. Peters raakt in opspraak en er verschijnt bijna een plattegrond van haar privéleven. Maar een bij de rechter veroordeelde politicus (hoe publiek wil je het hebben?) wordt – althans op de site van deze krant – in bescherming genomen door zijn achternaam weg te laten.

Het tekent de spanning tussen versteende ambachtelijke regels en de nieuwe, bikkelharde werkelijkheid in de journalistiek.

Die nieuwe werkelijkheid is dat de concurrentie op de lezersmarkt moordend is geworden. De journalistieke consensus uit de ‘gouden tijd van de kranten’ (1965-1995), toen oplages bleven stijgen, is doorbroken. Niemand wil achterblijven. Beter terugroeien dan de boot missen. Terughoudendheid is capitulatie.

In Chicago, circa 1910, maakten kranten gebruik van knokploegen, om elkaars bezorgers te intimideren en kranten van de concurrent uit handen van lezers te rukken. In drie jaar tijd vielen 27 doden bij gevechten tussen zware jongens van de pers. In de kolommen maakten politici, vakbondsleiders en ondernemers elkaar intussen uit voor rotte vis.

Dat waren nog eens tijden.

Zo ver zijn we nu gelukkig niet. Maar de vraag die de Britse tabloidpers zich moet stellen, na het schandaal rond News of the World, geldt ook voor serieuze kranten: welke normen hanteren zij, en welke publieke functie willen ze vervullen? Dat anno 2011 consensus over de maatschappelijke rol van journalistiek niet meer bestaat, is duidelijk. Alleen, dat is geen vooruitgang, het is regressie.

Sjoerd de Jong is ombudsman van NRC Handelsblad.

    • Sjoerd de Jong