Met Groen kun je alle kanten op

Dienden kerk en gelovigen zich terug te trekken in eigen organisaties of dat isolement juist verwerpen. Twee studies bieden een uiteenlopende visie op die 19de-eeuwse kwestie.

Ewout Klei: ‘Klein maar krachtig, dat maakt ons uniek’. Een geschiedenis van het Gereformeerd Politiek Verbond, 1948-2003. Bert Bakker, 455 blz. €29,95

J.P. de Vries: Een theocratisch visioen. De verhouding van religie en politiek volgens A.A. van Ruler, Boekencentrum, 354 blz. €29.90

De twee bovenstaande boeken werden op dezelfde dag als proefschrift verdedigd aan de Gereformeerde Theologische Universiteit te Kampen. Op het eerste gezicht is dat de enige parallel. Het proefschrift van Ewout Klei gaat over het GPV (1948-2003), een politieke partij die exclusief bedoeld was voor leden van ‘de enige ware kerk’, namelijk de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Het boek van Jurn de Vries, oud-hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad en tot 2007 senator voor de ChristenUnie, gaat over de hervormde theoloog Arnold van Ruler (1908-1970). Die was tegenstander van christelijke partijvorming, wenste geen scholen met den Bijbel en hield meditaties voor de ‘algemene’ AVRO-microfoon. Van verzuiling moest hij niets hebben, die tastte de eenheid van de samenleving aan.

Toch is er een overeenkomst tussen beide boeken. Het gedachtegoed van zowel GPV als Van Ruler is te herleiden naar de 19de-eeuwse historicus en politicus Groen van Prinsterer. In zijn boek Ongeloof en revolutie keerde die zich tegen de geest van de Franse revolutie, die de volkssoevereiniteit tot basis van het overheidsgezag maakte. Daartegenover plaatste Groen zijn theocratische opvatting dat kerk en staat zich moeten onderwerpen aan Gods wet, zoals dit ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog gebeurde. Kerk, staat en natie raken dan op een organische wijze met elkaar verweven en vormen een voor de samenleving heilzame, want christelijke eenheid.

Met dit gedachtegoed van Groen van Prinsterer zijn twee wegen bewandeld. Toen Abraham Kuyper, Groens meest prominente geestelijke opvolger, besefte dat het ideaal van een christelijke staat niet haalbaar was, concludeerde hij dat het beter was dat orthodoxe protestanten zich uit de door de tijdgeest ondermijnde nationale instellingen terugtrokken en eigen organisaties opzetten. Hij richtte een krant (De Standaard), een partij (ARP), een universiteit (VU) en uiteindelijk een eigen kerk (Gereformeerde Kerken) op en legde daarmee de basis voor de verzuiling. Klei omschrijft het zo: ‘Kuyper stapte uit de brede orthodox-protestantse wereld en creëerde een eigen neocalvinistische gereformeerde wereld.’

Scheuring

Toen zich in de jaren veertig van de vorige eeuw in die Gereformeerde Kerken een scheuring voordeed, herhaalde deze ontwikkeling zich op kleinere schaal. De in 1944 ontstane Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) stichtten ook weer eigen organisaties en instellingen, waarvan het Gereformeerd Politiek Verbond de bekendste werd. Het GPV beschouwde zichzelf als wettige erfgenaam van Groen. Het wetenschappelijk bureau van de partij kreeg zijn naam.

Het andere deel van Groens volgelingen verzette zich juist tegen dit kuyperiaanse streven naar ‘gettovorming in de nationale cultuur’ (Van Ruler). Zij wezen erop dat Groen altijd lid was gebleven van de Nederlands Hervormde Kerk, ondanks zijn bezwaren tegen haar. Ze beklemtoonden Groens streven naar door de staat verzorgd nationaal christelijk onderwijs. Christenen zouden zich niet moeten isoleren. Christelijke organisaties waren voor Van Ruler een teken van zwakte. Op die manier zoekt men zijn houvast bij elkaar in plaats van te vertrouwen op de kracht van de christelijke boodschap. Hij stelde daar nationale en godsdienstige eenheid tegenover.

Van Rulers theocratisch visioen veronderstelt een nauwe onderlinge betrokkenheid van kerk en staat. De kerk moet de staat dienen door herderlijke brieven, verklaringen en oproepen tot bezinning. De Bijbel is er immers niet alleen voor het zielenheil maar voor het heil van de hele samenleving. Omgekeerd moet de staat, als dienaresse Gods, zorgen voor zondagsrust en godslastering uitbannen. Ook moet de staat ervoor zorgen dat het de kerk – te weten de Nederlandse Hervormde Kerk – niet aan financiële middelen ontbreekt. In dat kader past Van Rulers onverholen bewondering voor historische figuren als Constantijn de Grote en Karel de Grote, die hun rijken kerstenden en zo ‘met zwaard en knots het corpus christianum’ hebben geschapen.

Vrede van Münster

Van Ruler waardeerde ook het werk van Calvijn in Genève, omdat de kerkhervormer de opvatting was toegedaan dat niet alleen de kerk, maar ook de staat de Bijbel moet gehoorzamen. Voor Van Ruler ging het in Europa mis bij de Vrede van Munster (1648), toen de geestelijke en kerkelijke verdeeldheid van de westerse wereld ook staatkundig werd geconsolideerd.

In het GPV ontmoetten de kuyperiaanse en theocratische erfgenamen van Groen van Prinsterer elkaar weer op een onverwachte manier, zo laten de twee proefschriften zien. Dankzij zijn persoonlijk charisma sleepte GPV-voorman P. Jongeling in 1971 een tweede zetel in de wacht in de Tweede Kamer. Die werd ingenomen door A.J. Verbrugh, de ideoloog van het GPV, die van huis uit niet vrijgemaakt was.

De ideeën van deze politieke autodidact (Verbrugh was scheikundige) waren sterk beïnvloed door het theocratische denken van Van Ruler. Verbrugh vond dat Nederland een christelijke staat moest worden met een christelijke grondwet. De rechten van aperte ongelovigen dienden beperkt te worden. Anderzijds wilde Verbrugh de partij verbreden door contacten met geestverwanten buiten de partij, waardoor de hard-core vrijgemaakten hem nooit honderd procent vertrouwden.

De twee boeken laten zich lezen als twee volstrekt verschillende – maar uiteindelijk even mislukte – christelijke antwoorden op het proces van secularisatie. Het vlot te lezen boek van Klei laat zien hoe een groot deel van de energie van het GPV ging zitten in het interne debat. Allemaal mensen uit dezelfde kerk die hun onderlinge meningsverschillen koesterden. En elkaar regelmatig de tent uitvochten om hun gelijk te halen. Klei ziet op dat punt sterke overeenkomsten tussen de partijculturen van GPV en CPN. Met dat verschil dat CPN’ers werden gediscrimineerd en GPV’ers genegeerd. Als persoon hadden GPV-voormannen als Jongeling en Schutte in de politiek weliswaar gezag, maar de positie van de partij zelf bleef marginaal. Daardoor was er sprake van een calimero-reflex, een nauwelijks verhuld minderwaardigheidscomplex. Daar kwam pas een einde aan, toen het GPV werd opgeheven, de ChristenUnie tot stand kwam en die partij meedeed aan Balkenende IV.

Het proefschrift van De Vries leest wat stugger, maar brengt een heldere structuur aan in het romantische en soms chaotische politieke gedachtegoed van Van Ruler. Hij toont overtuigend aan dat diens theocratische visie nooit echt kans van slagen heeft gehad. Zijn visioen wortelde in een verleden dat er waarschijnlijk nooit geweest is en maakte in een seculariserende wereld al helemaal geen kans.

Van het theocratisch ideaal is momenteel alleen nog wat terug te vinden bij de SGP. Senator Gerrit Holdijk, die momenteel in de Eerste Kamer een sleutelpositie inneemt voor het kabinet-Rutte, geldt als een Van Ruleriaan – een knipoog van de geschiedenis.

    • Herman Amelink