Met een wc-rol onder de sterren

Een enthousiasmerende geschiedenis van het kamperen voert onder meer naar de 19de-eeuwse filosoof Thoreau, die bij zijn eerste kampvuur 12 hectare in rook liet opgaan.

Matthew de Abaitua: The Art of Camping. The History and Practice of Sleeping under the Stars. Penguin Books, 294 blz.19,-

Flinterdunne slaapmatjes, jeukende muggenbulten, gesnurk uit de buurtent, regen die niet ophoudt. Wat bezielt een mens om al zijn luxe achter zich te laten en in een tent te gaan zitten?

Zelfs de fanatiekste kampeerder loopt soms tegen deze vraag aan. De Engelsman Matthew de Abaitua, die naar eigen zeggen 12 keer per jaar gaat kamperen, zocht een verklaring voor zijn passie in de geschiedenis en schreef er een boek over. In tien thematische hoofdstukken – van ‘Packing and Pitching’ tot ‘Striking Camp’ – schetst De Abaitua in The Art of Camping de praktijk en evolutie van het kamperen en zingt hij de lof van het zelfgestookt vuurtje en de perfecte tent. Iedereen die zich door de ‘moeilijke momenten van het kamperen’ heen wil slaan doet er goed aan dit boek in zijn tas te steken.

De Abaitua neemt zijn lezer mee naar het midden van de 19de eeuw, naar de Amerikaanse filosofen Emerson en Thoreau. Zij verhieven het kamperen, het je terugtrekken in de wildernis, tot filosofische therapie. In de moderne samenleving is de mens tot machine geworden, in de natuur ben je teruggeworpen op jezelf en kun je luisteren naar je innerlijke stem. Emerson organiseerde daarom filosofische kampeertochten en Thoreau trok zich twee jaar terug in de ‘wildernis’ en schreef over deze ervaring Walden, or Life in the Woods. Dat Thoreau eigenlijk in een tuinhuis verbleef dat maar 200 meter van Emersons huis lag en dat zijn eerste kampvuur tot een bosbrand van twaalf hectare leidde, doet niets af aan de grote invloed van deze twee Amerikanen op het denken over de natuur.

Frisse lucht

In Engeland waren het keurige heren op de fiets die begin 20ste eeuw een impuls aan het kamperen gaven. Zij reden de stad uit, de bossen in en ontworstelden zich hier aan het strenge Victoriaanse tijdperk. Zij ontdekten de wonderen van de frisse lucht – een verademing als je uit een geïndustrialiseerde stad komt – en riepen iedereen op hen te volgen. Al snel mochten ook vrouwen mee. De wetenschapper Francis Galton (die later de basis voor de eugenetica legde) onderbouwde dit in zijn boek over kamperen: ‘Vrouwen zijn gemaakt voor arbeid, een van hen kan evenveel dragen of sjouwen als twee mannen. Ze kunnen ook onze tenten opzetten, het maken en verstellen van onze kleren, ons ’s nachts warm houden en er is in feite geen reden waarom ze niet mee kunnen.’ De mannen leerden intussen door het kamperen hun afkeer van huishoudelijke taken overwinnen en van zoiets simpels als aardappels schillen te genieten.

In Amerika profiteerde Ernest Thompson Seton van de nieuwe interesse in de natuur. Hij werd rijk met zijn lyrische wildernisbeschrijvingen van indianen en wolven. Met al zijn geld besloot hij in de bossen kampeertochten voor jongeren te organiseren. Dit vond al snel veel navolging en het inspireerde de Engelse luitenant-generaal Baden-Powell in 1907 tot de oprichting van een internationale scoutingbeweging. Ook voor meisjes werd er een scoutingclub opgericht waar ze leerden om ‘10 soorten soep te bereiden, 3 soorten babyhuiltjes te onderscheiden en een logboek bij te houden.’

Na de Eerste Wereldoorlog ontstond onvrede over het militaristische gehalte van de scoutingbeweging; onder leiding van John Hargrave, beter bekend als Witte Vos, werd een linkse tegenbeweging opgezet: de Kibbo Kift. Deze kampeergroep pleitte voor wereldvrede, gelijkheid van de seksen en het respecteren van de aarde. Het toetreden tot de club ging gepaard met het aannemen van een nieuwe naam (vaak een wolven- of indianennaam) en het dragen van een uniform. De beweging zag zichzelf als een groep bijzondere mensen: ‘We willen alleen gelaten worden, fit zijn en genieten. Over 1000 jaar zullen we de wereld veroveren [...] Er zullen geen oorlogen meer zijn. Wij zijn de overlevers. We staan er op te leven!’ Er ontstonden meer kampeerbewegingen vol romantische idealen. Eén daarvan was de Duitse jongerenbeweging Der Wandervogel. Jongens en meisjes trokken de natuur in om te wandelen, te zingen en vrolijk samen te zijn rond het kampvuur. Ze hadden geen duidelijk doel voor ogen, maar wilden vooral vrij zijn. Ze droegen flamboyante kleding: wijde capes en hoeden met grote veren. Hun welkomstgroet was ‘heil’, wat toen nog hip was en zoiets betekende als ‘hey man!’

Kampleider

Dit veranderde in de jaren dertig. Der Wandervogel werd verboden en veel leden stapten zonder problemen over naar de jongerenbeweging van het nationaal-socialisme. Die bood eenzelfde saamhorigheidsgevoel en voorzag in de behoefte aan een ervaren kampleider die richting gaf. Het heil van Der Wandervogel kreeg hier een heel andere klank, zoals later het idee van een uitverkoren groep, een kampleider en het organiseren van kampen beladen zou worden.

Je vraagt je af waar De Abaitua precies heen wil. Hoe kan deze geschiedenis een passie voor het kamperen onderbouwen? De Abaitua is duidelijk geen academicus die een strak betoog voert, maar een verhalenverteller voor bij het kampvuur. Toch valt uit zijn kluwen van kampeerverhalen uiteindelijk wel een rode draad te ontwarren. Wat alle kampeerders uit zijn boek drijft is het achter je laten van een strak georganiseerde samenleving en het verlangen naar vrijheid om onbegaande paden in te slaan. ‘Kamperen is altijd het begin van iets nieuws en de mogelijkheid tot transformatie,’ stelt De Abaitua. Kamperen brengt je ook weer terug bij de basis. Je ontwikkelt liefde voor eenvoudige zaken als eten, warmte en gezelligheid, en het kampvuur stimuleert gemeenschapsgevoel. Kamperen geeft daarnaast karakter omdat het je dwingt met tegenslag om te gaan: het regent en er valt niets aan te doen.

Deze kijk verklaart ook waarom De Abaitua zo’n weerstand voelt voor het kamperen van na de Tweede Wereldoorlog. Meer vrije tijd en de auto maakte dat opeens iedereen ging kamperen. Er kwamen gereguleerde campings waar je van alle gemakken bent voorzien. De kampeerder laat zich dan opnieuw in een keurslijf passen, terwijl het De Abaitua er juist om gaat het ongeplande en het onverwachte te omarmen. Dit hoeft niet altijd makkelijk te zijn. Je moet ook zin krijgen weer naar huis te gaan.

    • Liesbeth Beneder