Levende scheermessen

Je hoorde ze eerder dan dat je ze zag. Drie vogeltjes die met hun onophoudelijke gekwetter aandacht en voedsel opeisten, de verongelijkte bekjes wijd opengesperd. Hun nest bevond zich op een hoogst opmerkelijke plek: bovenop een afvoerpijp tegen de overkapping van een restaurantterras aan zee.

Een meter onder het nest was de verbindingsdeur tussen restaurant en terras. Daar liepen kelners en bezoekers af en aan. Omdat mijn stoel naar die deur gekeerd stond, voltrok zich vlak voor mij een adembenemend schouwspel terwijl ik op mijn cappuccino zat te wachten.

De ouders van de vogeltjes trokken zich niets aan van de drukte onder hen en joegen bij het foerageren in duikvlucht vlak langs en over de mensenhoofden. Levende scheermessen in de lucht. Ik genoot van hun souplesse en durf. Geen moeite was hun te veel en geen risico te groot bij het vullen van de bekjes van hun schreeuwlelijkjes.

Ik stond op om het nest wat beter te kunnen bekijken, maar bleef op afstand uit vrees dat ze zouden schrikken. Het waren donkere vogeltjes met roodbruine keel en witte borst. Gierzwaluwen misschien? Die kende ik uit Amsterdam, waar ze bliksemsnel over de stadstuinen scheerden. Ach, kon ik het maar even aan Koos van Zomeren vragen. De serveerster zei alleen maar: „Het zijn zwaluwen. Ze zitten hier al een paar weken.”

Ik maakte wat notities over het uiterlijk van de vogels. Intussen had zich een lange, brede Duitse badgast vlak onder het nest opgesteld om enig veldonderzoek te verrichten. Hij haalde zijn fototoestel te voorschijn en begon driftig te klikken. Daarna draaide hij zich om en riep zijn drie kinderen erbij. Druk gebarend begon hij uitleg te geven.

Ik hield mijn adem in. Het dreigde daar veel te onrustig en lawaaiig te worden. Moest ik me ermee bemoeien of hadden we als ‘Nederland gidsland’ al een te slechte naam gekregen? De zwaluwouders waren weg, zouden ze nog wel durven terug te keren? De jonkies lieten zich in ieder geval niet intimideren, zij bleven hun honger uitschreeuwen.

Toen, uit het grijze niets, doorkliefde ma of pa zwaluw – ik kon het verschil niet zien – de lucht vlak boven de Duitsers, dook het nest in, propte de bekjes vol en verzond zichzelf weer pijlsnel retour – over de verblufte hoofden heen.„Robben!” juichte ik en applaudisseerde. De Duitsers lachten terwijl ze hun Apfelkuchen weer opzochten.

Bij de VVV en op internet vond ik later nadere informatie. Het moesten boerenzwaluwen zijn geweest. Ze staan bekend om hun sierlijke, snelle vlucht waarbij ze insecten met hun brede snavel uit de lucht vangen. In de lente komen ze uit onder meer Afrika en India naar broedgebieden in Europa. De boerenzwaluw plaatst het nest het liefst tegen dak of dakgoot zodat het uit de lucht niet waarneembaar is.

In Nederland is de boerenzwaluw door allerlei ontwikkelingen in de landbouw en de huisvesting een bedreigde vogelsoort geworden. Boerenzwaluwen willen hun nest binnen bouwen, maar dat gaat in de moderne boerderijen niet zo makkelijk meer. Dat leerde ik weer uit Trouw, dat onlangs een grote boerenzwaluwsupporter aan het woord liet: boer Arend Heideman uit het Gelderse Borculo. Zijn moeder zat vroeger al in haar vrije uurtje naar de zwaluwen in de stal te kijken. „Hoe ze als acrobaten kwamen aanvliegen en de jongen in hun nestjes voedden.”

Toevallig is dit jaar in Nederland de boerenzwaluw „de vogel van het jaar”. Zeer terecht.