Kunstjargon

Taaladviseur Joost Swanborn vraagt aandacht voor de onzinblablabla, de wartaal, het protserige woordgebruik dat we te lezen krijgen als het om beeldende kunst gaat (Opinie, 9 augustus). Hij verwijt de kunstenaars dat zij geen heldere taal willen spreken, en zegt dat zij het daarmee hun tegenstanders wel erg gemakkelijk maken. Volgt een reeks voorbeelden van, jazeker, lachwekkende en onbegrijpelijke teksten die geschreven zijn om kunstwerken op een aantal tentoonstellingen te verduidelijken. Maar ik ben er zeker van dat vrijwel al deze teksten niet door de kunstenaars zelf zijn geschreven.

Ooit heb ik zo’n dertig jaar dagelijks met een groot aantal schilders en beeldhouwers te maken gehad. Allemaal waren het snelle praters en konden ze fantastisch vertellen. Aan verhalen geen gebrek, aan woordenrijkdom evenmin. Er viel altijd wel wat te lachen of te huilen. Maar vraag ze niet om ook eens wat op te schrijven. Dat weigerden ze pertinent, want dat konden ze niet. „Ik kan me alleen uitdrukken met verf”, kreeg je dan te horen. Of: „Laat mij het maar vertellen met verroest ijzer.” Het merendeel van de beeldende kunstenaars is namelijk dyslectisch. Voor het schrijven van een leesbaar stukje tekst hebben ze hulp nodig.

De taalvervuilers die Swanborn zou moeten aanklagen zijn te vinden onder al die mensen die hun brood verdienen dankzij de kunsten, niet bij hen die zelf kunst maken. Curatoren, kunsthistorici, ambtenaren met een leuk baantje in een leuk wereldje, bevolkt door halve garen die ook best van de wind kunnen leven. Mensen die hun eigen vage arbeid proberen goed te praten door gewichtig doen. Die daar status aan ontlenen en er een salaris voor krijgen. En die de kunstenaars om wie het eigenlijk gaat een slechte dienst bewijzen met hun blablabla.

Els Pelgrom

Kinderboekenschrijfster

Brieven en opiniestukken kunt u sturen naar opinext@nrc.nl