Hongaren: wij zijn nóg geen dictatuur

In hoog tempo, nauwelijks acht slaand op bezwaren en kritiek, gaat premier Orbán door met radicale plannen. Hij ruimt de laatste restjes communisme op, zegt hij.

Nu het EU-voorzitterschap erop zit, met de extra internationale aandacht die dat met zich meebracht, gaat de Hongaarse regering in volle vaart door met de uitvoering van haar grootschalige hervormingsplannen.

Het land moet zo snel mogelijk op orde. Economisch, maar ook politiek. De staatsschuld moet omlaag, de productie omhoog en de conservatieve regering heeft beloofd voor een miljoen extra arbeidsplaatsen te zorgen, op een bevolking van tien miljoen. In de samenleving moeten alle resten communisme nu, ruim twintig jaar de omwenteling, definitief uit het systeem verdwijnen.

Door de dadendrang van de regeringspartij Fidesz, die een tweederde meerderheid in het parlement heeft, groeit de stapel controverses vrijwel net zo snel als het aantal nieuwe wetten. Na jaren slap links beleid moet regeren weer wat voorstellen. Hameren op mensenrechten en democratische verworvenheden lijken daarbij details, het domein van zeurende oud-communisten of liberalen, die het grotere plaatje niet willen zien.

Illustratief was de stemming op 12 juli over een nieuwe wet op kerken. Het wetsontwerp was twee uur oud toen erover werd besloten. In een paar uur tijd verloren meer dan honderd stromingen hun status als erkende kerk en de subsidies voor hun sociaal werk. Onder de geschrapte stromingen zijn de Islam, het Boeddhisme, Jehova’s Getuigen en de Zevende dag Adventisten – godsdiensten met geringe aanhang in Hongarije.

Dat de politiek onderscheid maakt tussen godsdiensten is een grove schending van de scheiding tussen kerk en staat, schrijft een groep oud-dissidenten in een brief aan de Europese Commissie. Ze vragen zich hardop af of ze in de jaren zeventig en tachtig voor niets hebben gevochten tegen de Sovjetonderdrukking en voor lidmaatschap van een Europese Unie waarin mensenrechten worden gerespecteerd.

In het Hongaarse debat fungeren parallellen met Sovjetmethoden zoals in Nederland de Jodenvervolging; een vergelijking die iedere nuance overstemt en meestal weinig recht doet aan de feiten. Zoals het feit dat godsdienstvrijheid ook in de nieuwe Hongaarse grondwet is verankerd, of dat het land een meerpartijendemocratie is.

Een scala aan hervormingen van de arbeidsmarkt en sociale zekerheid heeft het onderwerp religie al weer lang en breed uit het nieuws verdrongen. Het ministerie voor Nationale Economie wil tienduizenden langdurig (meer dan drie maanden) werklozen aan het werk te krijgen, op straffe van verlies van hun uitkering. Ze zouden fysiek werk moeten doen, onder meer in de bouw van nieuwe sportstadions. Politiemensen houden toezicht.

Het is premier Viktor Orbán ten voeten uit: met een groots en ingrijpend plan moeten meerdere complexe problemen tegelijk worden opgelost: minder uitkeringen, minder werkloosheid, minder criminaliteit, meer infrastructuur.

Aan ambitie geen gebrek. Aan realiteitszin, ontvankelijkheid voor kritiek en empathie voor de zwakkeren in de samenleving, waaronder Roma, des te meer.

De conservatieve regering wil orde en fatsoen en is er vooral op gericht de Hongaarse middenklasse, haar achterban, naar de zin te maken. Die heeft vaak het gevoel dat zij opdraait voor een van de structurele problemen van Hongarije: een te groot deel van de (vergrijzende) bevolking draagt niets bij aan de economie en leeft van uitkeringen en pensioenen. De economische ontwikkeling is al jaren traag. De schuld daarvan ligt volgens Fidesz-politici bij de communisten en hun opvolgers, de sociaal-democraten, die de twee voorgaande regeringen vormden.

Met een parlementaire meerderheid van tweederde zit de Hongaarse regering steviger in het zadel dan andere regeringen binnen de Europese Unie. Om wetten aan te nemen is het niet nodig compromissen te sluiten met de oppositiepartijen. Overleg om breder draagvlak te creëren lijkt Fidesz ook tijdverspilling te vinden.

Op allerlei strategische plekken, binnen overheidsdiensten, media, juridische instanties, worden eigen mensen benoemd.

Dat is een praktijk waaraan ook vorige regeringen zich schuldig maakten. Maar Fidesz gaat daarin verder, vertellen Hongaren. Ook op lagere niveaus moeten medewerkers de juiste politieke kleur hebben voor een baan. Loyale figuren op sleutelposities krijgen hun positie meteen voor negen jaar, tot ver na de termijn van de huidige regering.

Wetsontwerpen, zelfs de nieuwe grondwet, worden in hoog tempo door het parlement gejaagd. Ze dienen vaak om de positie van de huidige regering nog verder te verstevigen en maken het critici, ook binnen de juridische macht, moeilijker. De regering maakt daarbij op allerlei manieren gebruik van de procedurele trukendoos.

Aan buitenlandse kritiek laat de regering zich weinig gelegen liggen. De tweederde meerderheid betekent dat de wil van het volk wordt uitgevoerd, zegt Orbán – hoewel die meerderheid is gebaseerd op de actieve steun van ongeveer eenderde van de stemgerechtigden. De EU vergeleek hij in een speech in maart met vroegere buitenlandse overheersingen, zoals de Sovjet-Unie en de door Oostenrijk gedomineerde Habsburgse Dubbelmonarchie.

De oppositie zit er sinds het aantreden van de Fidesz-regering in mei 2010 goeddeels voor spek en bonen bij. Dat heeft ze ook aan zichzelf te danken. Het electoraat heeft de sociaal-democraten, die tussen 2002 en 2010 aan de macht waren, afgestraft voor de vele corruptieaffaires en het gebrek aan krachtig bestuur.

Maar nu lijkt de Hongaarse regering door te schieten in haar haast, arrogantie en machtshonger. „We zijn nog geen dictatuur”, zeggen Hongaren geruststellend nadat ze in een interview alle zorgelijke tendensen hebben geschetst. Het is veelzeggend dat ze zo’n toelichting noodzakelijk vinden.

    • Marloes de Koning