Het kapitalisme zoals wij dat kennen is uit de hand gelopen

Het schuldprobleem dat zowel Europa als de VS teistert vraagt niet om een nieuw kapitalisme, maar om een oude moraal, vindt NRC-columnist Maarten Schinkel.

De IJstijd, zo wordt hij sinds kort genoemd: de periode die waarin we verzeild zijn geraakt nu schulden het Westen alsnog boven het hoofd zijn gegroeid. In de Verenigde Staten werd vorige week een wankel compromis bereikt over het verhogen van het plafond voor de overheidsschuld van 14.300 miljard dollar (10.030 miljard euro). De politieke patstelling rond de oplossing noopte kredietagent Standard & Poor’s tot het verlagen van de AAA-rating van de Verenigde Staten. Europa worstelt zodanig met overheidsschulden, en vooral de onevenredige verdeling daarvan in de eurozone, dat haar centrale bank staatsschulden opkoopt, en het risico loopt die in de toekomst te moeten financieren met het scheppen van geld. Dat is een praktijk die ook de Verenigde Staten al hebben toegepast. Zonder veel succes, tot nu toe.

De opbouw van enorme schulden, door zowel huishoudens, bedrijven, de financiële sector als de overheid heeft gezorgd voor een last, die beide regio’s nog lange tijd op de schouders zal drukken. De wereldeconomie, witheet na de veronderstelde eindoverwinning van het kapitalisme in 1989, bevroor in 2008 tijdens de kredietcrisis en zal er zeer lang over doen om te ontdooien. Hoe groot is de last? In 1990, zo stelt een recente update van het inmiddels klassieke rapport Debt and Deleveraging van het McKinsey Global Institute, was de schuldenlast nog laag. Duitsland – het meest voorzichtige van de grote Westerse economieën – had een totale schuldenlast van overheid, bedrijfsleven en huishoudens van 200 procent van het bruto binnenlands product. Dat is nu tegen de 250 procent. De schuld van de VS klom van 200 procent naar 270 procent. Italië steeg naar 300 procent, Frankrijk naar 330 procent, Spanje naar 360 procent. En het Verenigd Koninkrijk dat in 1990 nog een totale schuld had van 220 procent, staat nu tegen de 500 procent. Dat is een totale schuld die vijf maal groter is dan de opvang van de economie. Voor Nederland is geen recente calculatie – McKinsey belooft een nieuw rapport in het najaar – maar eerdere cijfers wijzen op een totale schuld in de richting van de 400 procent. De relatief grote financiële sector, en het Nederlandse hypotheekregime zijn daar niet vreemd aan.

Deze berg werpt een schaduw over de komende jaren. Maar hoe is het allemaal zo gekomen? Is het kapitalisme zoals we dat kenden, uit de hand gelopen?

In zekere zin wel, en die ontwikkeling is niet zonder ironie. Het moderne kapitalisme vindt zijn oorsprong in een morele omslag die werd geschraagd door de opkomst van het calvinisme in het noorden van Europa. Verworven rijkdom moest niet langer meteen worden uitgegeven of verbrast aan luxe en uiterlijk vertoon, maar geherinvesteerd. De accumulatie van kapitaal, waarbij de vruchten van een investering direct weer terugvloeiden naar nieuwe bedrijvigheid en navenante opbrengsten, vormde de grondslag voor een nieuwe vorm, waarin het ondernemen een doel op zichzelf werd. Met zijn talenten moest men, zoals de Bijbel voorschreef, woekeren.

Krediet was daarbij soms nodig, want de kost gaat voor de baat uit. Maar schulden werden wel gezien als een op zijn best noodzakelijk kwaad. Tot in de jaren tachtig was het voor ondernemingen normaal om een eigen vermogen te hebben dat meer dan de helft bedroeg van het balanstotaal, en kleinere ondernemers waren er trots op vaak geen enkele schuld te hebben, want dan werd je een slaaf van je bank. Voor de burger gold dat misschien nog wel sterker. Het hebben van schulden was een teken van karakterzwakte, of een stap door het voorportaal van het bankroet.

De schuldcultuur van nu tekent een nieuwe morele omslag. Dat die samenvalt met de ontkerkelijking in en na de jaren zeventig kan toeval zijn, maar krediet verloor eerst zijn taboe, en werd daarna een instrument om een nog grotere welvaart te bewerkstelligen. De met schulden beladen overname van het Amerikaanse concern RJR Nabisco eind jaren tachtig, waar de klassieker Barbarians at the Gate over werd geschreven, markeerde een omslagpunt in de bedrijfsfinanciering. Eigen vermogen, het échte kapitaal van een bedrijf, verloor aan belang ten koste van vreemd vermogen: de schulden die een hefboom vormden om het rendement verder op te schroeven. Ten koste van steeds grotere risico’s, dat wel.

Banken voeren steeds scherper aan de wind. Het zeiloppervlak, de schuld, werd groter terwijl de ballast, het eigen vermogen, werd verkleind. De handel in schulden – en dde aarvan afgeleide effecten – nam een steeds grotere vlucht. En ook de consument bleef niet achter en laadde steeds grotere schulden op zich, een fenomeen dat de Amerikaanse consument doorgaans wat gemakkelijk wordt verweten, maar waaraan bijvoorbeeld ook Nederlanders en andere Europeanen zeker niet vreemd zijn.

Schuld is een ongelijke wip, waarmee een kleuter in staat is een sumo-worstelaar op te heffen. Maar wat als de worstelaar afstapt, en vervolgens in één klap gaat zitten? Schuld is een voorschot op de toekomst, waarvan de rekening pas later volgt, maar hoe dan ook door de bus zal vallen. Wat heeft ons bezield?

Grootheidswaan, zoals Rodion Raskolnikov in Dostojewki’s Schuld en Boete, die denkt dat zijn daad zo rechtvaardig is dat hij boven de wetten staat? Hedonisme, waarbij al vast van de toekomst werd genoten vóór deze was aangebroken? Het kan een tijd goed gaan, omdat investeringen met behulp van krediet de prijzen van het begeerde opdrijven, zoals het huis of de effectenportefeuille. Maar eens breekt het ‘Minsky-moment’ aan, een door de econoom Hyman Minsky bedacht fenomeen, waarbij op de financiële markten iedereen plots beseft dat de schulden waarmee de koersen zijn opgedreven te groot zijn geworden, en in paniek alles verkoopt om ze af te lossen en zo een neerwaartse spiraal veroorzaken. Zijn we getuige van een Minsky-moment voor de gehele economie?

Direct of indirect: uiteindelijk komen als het fout gaat veel schulden terecht op de schouders van de overheid. Banken moeten worden gered, de economie gestimuleerd om de groei er in te houden en zo de schuldafbouw te bevorderen. Of landen gesteund waarvan zelfs de overheid de lasten niet meer kan dragen, zoals die in de eurozone.

Er zijn drie uitwegen uit een crisis van de overheidsschulden. De staat kan besluiten zijn schulden simpel niet meer, of slechts gedeeltelijk af te betalen. Die optie is misschien haalbaar voor één, geïsoleerd land, maar niet als het halve Westen in de problemen zit. De autoriteiten kunnen ook bewust de inflatie laten oplopen, om zo de waarde van de schulden uit te hollen. Het is niet te hopen dat Westerse landen daar toe over gaan, want inflatie is de meest geniepige vorm van belasting voor de burger, en heeft de neiging nogal uit de hand te lopen. De beslissing van de Amerikaanse centrale bank, woensdag, om de rente twee jaar lang gegarandeerd op nul te houden, kennelijk ongeacht de ontwikkeling van de inflatie, voorspelt wat dat betreft weinig goeds.

Want de beste manier is van schulden af te komen is om letterlijk uit de problemen te groeien. Dat vergt een revitalisering van de economie, en waarschijnlijk ook één van onszelf. Het principe van de uitgestelde behoefte, het fundament voor de opvoeding van kinderen, moet ook weer voor volwassenen gaan gelden.

Misschien dat later op de Westerse kredieteconomie wordt teruggekeken alsof het een uitoefening was van een verondersteld recht op een welvaartsgroei die steeds minder vanzelfsprekend werd. Een laatste poging om de opkomst van het Verre Oosten onder het tapijt te vegen, zonder de schouders er onder te willen zetten en de concurrentie, tot wederzijds voordeel, aan te gaan.

Aan het kapitalisme zelf ligt het niet. Het gaat om de moraal onder het kapitalisme. Ouderwets woekeren met talenten: er zit niets anders op. En talent, dat hebben we gelukkig nog genoeg om de naderende IJstijd het hoofd te kunnen bieden.

    • Maarten Schinkel