Europa moet weer leren te verliezen

David Marquand: The End of the West. The Once and Future Europe. Princeton University Press, 224 blz. € 27,25

Aan de omslagfoto van David Marquands boek The End of the West; The Once and Future Europe ligt het bepaald niet. Die is magistraal: een man in een pak (1962 – hij heeft zelfs een peuk in zijn vingers!), die op een Grieks strand op een houten stoel, met zijn rug naar zee, zó ingespannen een krant leest dat hij niet merkt dat het vloed wordt. Maar die titel. Hoe vaak is het eind van het Westen nu al afgekondigd? De kredietcrisis, de eurocrisis, de groei van ‘nieuwe economieën’ China en Brazilië inspireert een stoet Spenglerianen om het Westen, en Europa, voor de laatste keer te waarschuwen.

Natuurlijk zit hier iets in. De wereld muteert snel en Europa moet antwoorden zien te formuleren. Niemand kan zeggen of de euro overleeft en of de Europese Unie (EU) een monetaire implosie wel aankan. China concurreert het zuiden van Europa kapot, terwijl het Europese bedrijven voor een prikje opkoopt. En waarom hebben sommige Afrikaanse landen mega- groeicijfers, terwijl Westerse ngo’s in de Hoorn van Afrika kinderen van de hongerdood redden? Dit zijn harde dilemma’s, die complexe antwoorden vereisen. Europese politici hebben grote moeite die te vinden.

Maar wie Marquand leest, vindt ondanks de sleetse titel nuance. Zijn boodschap is dat de EU een soort olietanker is die langzaam van koers verandert. Té langzaam. De EU is te zeer een verbond van soevereine staten gebleven om een slagvaardige beslismachine te worden. Zo blokkeren Italië en Spanje één Europees patent, alleen omdat ze willen dat de voertaal ook Italiaans en Spaans wordt. Dus vraag je in 27 landen patent aan: duur en dom.

Niemand wilde ooit Europees banktoezicht, omdat dit nationale toezichthouders en politici beroofde van macht over hun eigen banken. Europese instellingen maken alles nog ingewikkelder. Na de aanslagen in Noorwegen stuurde de voorzitter van het Europees parlement een ‘statement’ de wereld in, hoe afgrijselijk het was. Vervolgens deed de voorzitter van de Europese Commissie hetzelfde. En de Europese president. En de Hoge Buitenlandvertegenwoordiger.

Maar wie zegt dat de grondleggers van de EU zich in hun graf omdraaien omdat hun droom nooit is uitgekomen, slaat de plank mis. Robert Schuman en Jean Monnet hadden zeker een droom, wie niet. Maar ‘Europa’ is nooit een utopisch project geweest, zoals Amerika dat wél federaal werd. Europa was juist een pragmatisch project: je begint met kolen en staal en gaat steeds een stapje verder. Of niet, als de nationale regeringen ‘nee’ zeggen.

Europa begon als plek waar democratisch gekozen regeringen hun geschillen zouden uitvechten met woorden, geen wapens. Alleen zo zou het project enige kans van slagen hebben. Die plek is Europa, ‘Brussel’, nog steeds. Kijk naar de crisis: het probleem is niet dat Europa van alles beslist. Het probleem is dat alle regeringen – om culturele, financiële of psychische redenen – andere ideeën hebben. Daar komen ze mee naar Brussel. Daar slaan ze elkaar negen, tien uur lang mee om de oren. Het duurt soms maanden voor ze een compromis vinden dat allen in staat stelt te zeggen dat ze ‘gewonnen’ hebben. Europa kent namelijk geen verliezers. Vroeger wel, maar toen was het steeds oorlog.

Marquand, een erudiete Brit – oud-parlementslid van Labour – die een poos in Brussel heeft gewerkt, heeft dit begrepen. Hij signaleert ook, terecht, dat veel burgers er niets meer van begrijpen. Om dit ‘democratische gebrek’ te verhelpen pleit hij onder meer voor een gekozen Europese president. Dan kunnen burgers iemand verantwoordelijk houden.

Maar wat maakt het uit of Herman Van Rompuy gekozen is of niet? Regeringsleiders hebben hem benoemd. Als hij een grote mond opzet tegen de Franse president, wordt hij niet herkozen. Maar als het Europese volk hem kiest, kan hij dan wél Sarkozy schofferen? Of Merkel? Natuurlijk niet. Het nare van Europa, en tegelijk het mooie, is dat je met elkaar verder moet. Altijd. Dus blijf je redelijk beleefd. De ideale president maakt zich klein, zodat regeringsleiders – grote ego’s met nationale parlementen op hun hielen – een deal kunnen bereiken. Als de gekozen president van Europa zich groter zou maken dan zij, en maatregelen zou doordrukken omdat hij ‘gekozen is door het volk’, zou Europa erger vastlopen dan nu.

Toch rekent Marquand ook af met het gescheld op de ‘wicked deeds of the so-called European elite’. ‘Er is geen Europese elite en die is er nooit geweest: het was beter als we er wel een gehad hadden. […] Europa wordt niet gerund door een homogene elite, maar door een wisselend conglomeraat van nationale elites.’ Vroeger, in de tijden van Adenauer (Duitsland) of Spaak (België), hadden leiders nog de wil om te leiden. Zij hadden visie. Ze probeerden hun achterban uit te leggen waar ze mee bezig waren en waaróm. Huidige leiders zijn compleet anders: ‘Door een soort bastaardpopulisme, dat de rol van verantwoord leiderschap in een democratie negeert, zijn huidige leiders vooral bezig te buigen voor de laagste gemene deler.’

De eurocrisis legt dit probleem pijnlijk bloot. Leiders liegen geregeld. En ze leggen ook niet uit wat ze doen – of ‘spinnen’ alles hun richting uit. Een voorbeeld is de eis van Angela Merkel en Mark Rutte – met herhaald beroep op de democratische verlangens van Duitsers en Nederlanders – dat banken zouden meebetalen aan nieuwe leningen voor Griekenland. Die eis drukten ze door. Maar wat leggen hooggeplaatsten uit andere landen de volgende dag in Brussel uit? Dat het ‘zonder meebetalende banken veel goedkoper was geweest voor Europese belastingbetalers. Want nu moeten alle eurolanden extra garanties geven aan Griekse banken en de Europese Centrale Bank.’ Dit zei de premier er thuis niet bij. Sterker, toen deze krant Rutte ernaar vroeg, weigerde hij antwoord te geven: ‘Te gevoelig.’ Rutte heeft een punt. Maar zeg dan niet dat het democratisch deficit in Brussel zit. Het zit in de lidstaten.

Volgens Marquand kan dit zo niet doorgaan. We moeten Europese besluitvorming stroomlijnen, gezamenlijke doelstellingen en groeistrategieën ontwikkelen. Zeer terecht schrijft hij dat we ook moeten stoppen anderen de les te lezen over racisme en tolerantie, terwijl in veel EU-landen hele groepen in naam van de ‘vrijheid’ erger gestigmatiseerd worden dan de afgelopen zestig jaar. Maar op de een of andere manier is dit dit gemodder, dit gladstrijken van tegenstrijdigheden óók Europa. Altijd geweest, ook. Het is ergerlijk, gênant en in crisistijd niet ongevaarlijk. Maar misschien moeten we dit eerst maar eens accepteren.

    • Caroline de Gruyter