De vrije hand van Assad

De druk op het regime van Bashar al-Assad in Syrië neemt toe. Begin deze week heeft koning Abdullah van Saoedi-Arabië, zelf toch niet bepaald een vaandeldrager van het democratiseringsidee in de Arabische wereld, president Assad opgeroepen om zijn „moordmachine” te stoppen. Ook premier Erdogan van Turkije koos een hogere toon om het bewind in buurland Syrië te bewegen tot vreedzame hervormingen.

Maar tot nu toe geeft Assad geen krimp. Terwijl hij op gezette tijden wat politieke beloftes doet, laat hij het geweld tegen de eigen bevolking opvoeren. Onder oppositionelen in Damascus groeit de angst dat deze repressie ertoe gaat leiden dat het, tot nu toe, vreedzame verzet zich ook gewelddadiger gaat weren.

Zo’n escalatiespiraal zou fataal zijn. Van eenheid in het anti-Assadkamp is immers amper sprake, laat staan van een politiek minimumprogramma waarop de oppositie zich kan verenigen en dat het begin zou kunnen zijn van een echt alternatief.

Het Westen beseft dat. Dat de daders van het geweld ‘fout’ zijn, is duidelijk. Maar dat wil niet zeggen dat alle slachtoffers in politieke zin ‘goed’ zijn. Dat is ook logisch. Anders dan de meeste andere staten in de regio is Syrië nooit een (tijdelijke) partner geweest van de Verenigde Staten.

De invloed van het Westen is er klein. De angst voor destabilisering van het Midden-Oosten als het bewind van Assad omvalt, blijft daarom onverminderd groot. Die vrees bepaalt ook de houding van Turkije, Saoedi-Arabië en Israël.

Europa en Amerika zien nog steeds geen uitweg voor dit dilemma. Ze uiten verbaal kritiek. Maar er volgen geen daden op de woorden. Dat ligt voor de hand. Hard gezegd: er is niet alleen geen helder beeld van Syrië ná Assad noch internationaal draagvlak voor een interventie, er is ook geen geld. De staatsschuldencrises eisen hun politieke tol.

Het optreden van minister Clinton van Buitenlandse Zaken gisteren was illustratief. Terwijl president Obama overlegde met Erdogan over de vraag wat Turkije kan doen, riep Clinton staten als China, India en Rusland op om hun gewicht in de schaal te leggen: precies die landen die in de Veiligheidsraad opponeren tegen pogingen van de westerse mogendheden om internationale sancties tegen Assad af te kondigen.

Het is niet anders. Binnen deze marges zal de pressie op het bewind in Syrië moeten worden opgevoerd. Dat wil niet zeggen dat er zonder China en Rusland helemaal niets kan. Naast de bevriezing van de spaartegoeden en een inreisverbod voor handlangers van het bewind kunnen handelssancties tegen Syrische oliedistributeurs, banken en telecombedrijven helpen om Assad c.s. toch verder in het nauw te drijven.

Want dat moet. Het is een onverdraaglijk idee dat Assad nog veel langer de vrije hand houdt, die hij nu feitelijk heeft.