Als je nu 25 bent, heb je weinig om naar uit te kijken

Op veel plaatsen in Europa krijgen jongeren minder toekomstmogelijkheden.

Zij slagen er niet in hun onvrede te vertalen in echte politieke invloed.

Bankencrisis, eurocrisis, hoge jeugdwerkeloosheid, onzekere arbeidsverbanden, verdampende pensioenen, peperdure huisvesting – wie nu 25 is in Europa heeft weinig om naar uit te kijken. „Het is vooral de jeugd die de rekening voor de economische crisis betaalt”, zegt de Pools-Franse socioloog Aleksander Smolar. Het verbaast hem dat er niet nog veel meer wordt betoogd.

Deze week was het raak in Groot-Brittannië, in maart gingen tienduizenden Portugese jongeren de straat op, begin mei brandde Athene en daarna bezetten Spaanse jongens en meisjes delen van Madrid. De oorzaken van de woede zijn niet altijd eenduidig en zeker de Britse plunderingen zijn een geval apart. Wat de jongeren delen, is een gevoel van boosheid en machteloosheid. Het gevoel dat oudere generaties uitstekend voor zichzelf hebben gezorgd, als het ware ‘binnen’ zijn, en dat jongeren het nakijken hebben. Het gevoel dat de wereld die jongeren straks erven lelijker is dan die van hun ouders.

„Beleidsmakers hebben de toekomst te lang gebruikt als de vuilstortplaats van het heden, als de plek voor onopgeloste problemen”, oordeelt de Spaanse politicoloog Daniel Innerarity. „De toekomst wordt straffeloos onteigend, om het heden maar aangenamer te maken. Daar moeten we snel mee ophouden.”

Het was nota bene een 93-jarige die jongeren eind vorig jaar opriep om zich vaker boos te maken. In zijn pamflet Indignez-vous! (Verontwaardig U!) loopt de Franse oud-diplomaat en -verzetsstrijder Stéphane Hessel te hoop tegen graaizuchtige banken, kleurloze politici en door commercie gecorrumpeerde media. Het pamflet inspireerde Spaanse betogers tot de geuzennaam ‘indignados’ en is uitgegroeid tot de bijbel van boze jongeren in Frankrijk en Zuid-Europa.

Smolar en Innerarity delen Hessels zorg over dit Europa waarin politici stoer hameren op nationale soevereiniteit en het gevaar van massamigratie, maar zich het volgende moment sidderend overleveren aan anonieme kapitaalmarkten en kredietbeoordelaars. Waarin wat eerst geprivatiseerd is (uiteraard in het belang van de consument) daarna met staatssteun overeind gehouden moet worden (ook weer in het belang van de consument). Waarin het evenwicht tussen publiek en privaat zoek is, het steeds meer ‘ieder voor zich’ is en plunderen, van laag tot hoog – van straatschoffies tot bankiers – de nieuwe norm lijkt te zijn. Een Europa waarin de angst de hoop heeft overweldigd.

Maar Hessels oproep tot boosheid en verzet vinden ze onzinnig, contraproductief, zelfs gevaarlijk. In ieder geval geen recept voor concreet beleid, want wat schiet je op met het benadrukken en overdrijven van ontevredenheid? „Mensen die ergens tegen zijn, hebben we al genoeg”, zegt Innerarity, verwijzend naar de vele populistische tendensen in de Europese politiek. „Pas echt revolutionair zou een breuk zijn met het populisme, met het ventileren van simpele verklaringen voor complexe problemen.”

Zo bezien is het pamflet van Hessel juist een manifestatie van de ideeëncrisis in Europa, van wat de Franse historicus en intellectueel Pierre Rosanvallon eens „het tijdperk van de negatieve politiek” noemde. Het biedt er in ieder geval geen oplossingen voor.

Wat moeten jongeren dan met hun opgekropte frustratie? Om te beginnen zouden ze kunnen gaan stemmen. Bij de laatste verkiezingen voor het Europees Parlement, in 2009, liet 80 procent van de kiezers tussen de 18 en de 24 jaar het afweten en ook bij nationale verkiezingen valt de opkomst onder jongeren vaak tegen. Niet erg verwonderlijk dat ouderen er veel beter in slagen om hun belangen – en pensioenen – te beschermen. Ieder krijgt de politici die hij verdient.

De hamvraag is of de indignados meer kunnen dan mopperen of, in het beste geval, dagdromen: ze weten elkaar uitstekend te vinden op Facebook en Twitter, ze vergaderen zich suf, zijn meesters van het spontane protest, maar slagen er nog niet in om hun onvrede te vertalen in positieve ideeën of echte politieke invloed. Anders dan in 1968, toen het marxisme de grammatica leverde voor het jongerenprotest, is er nu geen bindende ideologie, geen Utopia aan de horizon.

Er zijn ook geen leiders of organisaties, laat staan politieke partijen die de gefrustreerde jongeren vertegenwoordigen. De betogers zijn apolitiek, sterker nog, ze gaan daar vaak zelfs prat op. Daarmee is de verontwaardiging op dit moment niet veel meer dan een doel op zich – en dus een hele goede reden om vooral niets te veranderen. En daarmee bewijzen de jongeren volgens Innerarity de status quo onbedoeld een dienst.

Een ideaal doet wonderen. Smolar wijst naar zijn eigen vaderland, Polen, waar geen jeugdig protest te bekennen is. De problemen daar zijn groot, veel groter dan in het westen, maar de frustratie is er opmerkelijk klein. Het land maakt sinds de val van het communisme (1989) een inhaalslag. Het heeft perspectief – op meer democratie, meer stabiliteit en meer welvaart. Het is duidelijk waar het heen moet met Polen.

West-Europa en de Europese Unie in het algemeen hebben snel een nieuw, positief project nodig, al was het maar om de woede van jongeren te kanaliseren en richting te geven. Smolar kan er maar één bedenken: meer Europese integratie. Want staat het gebrek daaraan, het gebrek aan gecoördineerd beleid en gezamenlijke verantwoordelijkheid, juist niet aan de basis van de eurocrisis en dus ook van veel van het huidige sociale ongenoegen?

Tja, dat is zonder meer een positieve boodschap, en in ieder geval eentje die de verontwaardiging ontstijgt. Maar probeer er op dit moment maar eens iemand warm voor te krijgen.

    • Stéphane Alonso