Twee vrouwen

Op het terras aan zee zaten twee vrouwen met veel aandacht voor elkaar te praten. Ze leken nauwelijks gemerkt te hebben dat ik aan het tafeltje naast hen had plaatsgenomen. Gevaarlijk, want je moet zeker in een columnistenland als Nederland altijd voor columnisten op je hoede zijn, zelfs als ze met vakantie zijn.

De vrouwen waren in de zestig, wat door de oudste van hen benadrukt werd met die diepe, bronchiale hoest van de Limburgse mijnwerkers van vroeger. Het luidkeelse protest van longen die nog steeds gekweld werden, want er stond een halfvolle asbak voor haar en ze maakte alweer aanstalten een nieuwe sigaret op te steken.

Zij was een opmerkelijke verschijning. Ze had kort, sterk geblondeerd haar waar de hoofdhuid hier en daar brutaal doorheen brak en ze droeg een vuurrood topje. Daarbij praatte ze, tussen de hoestbuien door, zo luid dat ik af en toe de neiging kreeg me om te draaien en te zeggen: „Verstaanbare zinnen vind ik prettig, maar u hoeft ze niet te dicteren.”

Om de woordenstroom op gang te houden, kon de vrouw tegenover haar volstaan met te luisteren en hier en daar een tussenwerpsel te mompelen. Zij was onopvallend gekleed in een bruinig truitje en broek en had vlassig, grijs haar.

De blonde nam een trek van haar sigaret, wierp een liefdevolle blik op de ander en zei: „Als je mij twintig jaar geleden had verteld dat ik nog eens een vaste relatie zou beginnen, had ik gezegd: nee, ik pieker er niet over.”

„Ik heb nooit beseft dat je zo in elkaar zat”, zei de ander. Ze leek bijna te blozen.

De blonde zuchtte diep. „God, wat had ik graag het hele mannengedeelte overgeslagen. Die kerels…Er is voor ons zóveel veranderd. Ik zou het zo graag van dichtbij hebben meegemaakt, toen het in de jaren zestig en zeventig begon. Die Blijf-van-mijn-lijfhuizen, de Paarse September, noem maar op. Maar ja, dan moet je niet in Meppel zitten…”

„Of in Tilburg.” De ander fluisterde het, alsof ze zich nog steeds geneerde voor de naam van haar stad.

„Meppel!” riep de blonde. Het klonk bitter. „Ik was er schoofjuf en burgertrut van de bovenste plank. De meisjes moesten op onze school nog in jurkjes komen, broeken mochten beslist niet.” Ze liet haar stem even dalen – de eerste en enige keer. „In de vierde zat een meisje waar ik smoorverliefd op was. Was ik een jongen geweest, dan was ik iets met haar begonnen.”

Ze legde een roodverbrande hand op de arm van de Tilburgse. „Hadden we toen maar in Amsterdam gezeten, want dáár gebeurde het. Ik volgde het allemaal op de voet in de media, dat wel. Ik was er niet bij, maar ik hing thuis wel de vlag uit.”

Ze wenkte een naderende serveerster met een stevig armgebaar. Zij had de leiding in deze liefdesrelatie, en niemand anders. Toen schonk ze haar vriendin een royale lach en zei: „Maar het is gelukkig nog allemaal goed gekomen.”

Hoe lang waren ze nu al bij elkaar? Was het hun eerste verhouding met een vrouw? Ik had het ze graag gevraagd en de blonde zou er misschien best op hebben willen antwoorden – maar de Tilburgse kon ik dit niet aandoen. Zij had het destijds in Amsterdam misschien al niet gered.

Een kwartiertje later stapten ze op om naar het strand te lopen. De blonde legde die stevige arm om de schouders van haar vriendin. Ze moesten optornen tegen een sterke wind. Nee, lees dit niet als een metafoor – er stond deze zomer heus heel vaak een sterke wind aan onze kust.

    • Frits Abrahams