Nee-fase

Twintig jaar geleden, toen Europa nog niet bestond, was het leven overzichtelijk. Op school had je alto’s, kakkers en Oililytrutjes. Elke subcultuur had z’n eigen café, z’n eigen mode, z’n eigen favoriete drug en z’n eigen politieke kleur.

Ik vertoefde hoofdzakelijk in de eerste categorie: krakerskroeg, kisten, blowen. Alleen die politieke kleur heb ik nooit helemaal doorgrond. Het kwam er op neer dat ze overal tegen waren: tegen de regering, tegen vlees, tegen Ruud Lubbers, tegen McDonald’s, en vooral tegen Europa.

Leiden in de aanloop naar het Verdrag van Maastricht: allerlei punk- en kraakgroepjes voerden actie, verzameld als wat later ‘Eurodusnie’ ging heten. In het uitgaanscircuit kreeg ik pamfletten met teksten als: ‘Bestaande parlementaire instituties zijn onmachtig, gecorrumpeerd en ongeschikt.’ En: ‘Ieder mens heeft recht om zich over de wereld te verplaatsen, zonder grenzen. Een wereldburgerschap biedt mensen dezelfde bewegingsvrijheid als de geldstromen.’

Gek vond ik dat, dat ze met zulke idealen dan zo fel tégen de Europese eenwording waren. Maar zodra ik een van hen (met hun ecologische perensapjes) daarop aansprak, kwam er een wazig verhaal over de McDonald’s en Shell die er als enige van profiteerden.

Dezelfde reflex zie je nu weer, in argumenten die je kunt samenvatten als: „We hadden de gulden nooit weg motten doen.”

Dat Europa juist precies brengt wat punkers en andere burgers willen, wil maar niet doordringen. Je kunt ze het schrikbeeld van euroloos IJsland voorhouden, en nog blijven ze liever boos. Net als twintig jaar geleden. Vreemde nostalgie, vooral als je Ruud Lubbers bij Nieuwsuur ziet zitten. Dezelfde partijen, dezelfde kwestie. Nihil sub sole novum. En weer ben ik het met hem eens. We hebben juist méér Europa nodig tegen de crisis. Het liefst zou ik een federaal Europa willen, met directe macht, ook in de regionale begrotingen. Pas dan kun je de zuidelijke provincies saneren.

Maar de burgers durven het niet aan. Ze zitten in dezelfde fase als mijn zoon van twee, die ook vaak ‘nee!’ terugroept. Zelfs als je hem een ijsje aanbiedt.

Christiaan Weijts