Je hebt toch geen afluisterapparatuur bij je, hè?

Deze zomer is nrc.next op de Wallen. Vandaag: de penoze.

De tijd van Karate Bob, Vette Lap, Magere Josje en ‘Pommetje’ is voorbij. Maar Jan Stapper is er nog.

Aan het einde van de galerij verschijnt de vrouw al in de deurpost. Achter haar, in het halletje van de flat, staat Jan Stapper. Een man met kort opgeschoren grijs haar, een boksersneus en een kanariegeel T-shirt met de tekst ‘Surfing Vacation’. Bij binnenkomst inspecteert hij kort het gezelschap, dan loopt hij benentrekkend terug naar de bank.

„Je hebt toch geen afluisterapparatuur bij je, hè?”

Eerder die dag had René, de zingende receptionist van bejaardentehuis De Flesseman, aan alle illusie een einde gemaakt. „Je bent te laat”, had hij gezegd. De echte penoze op de Wallen bestaat niet meer. De tijd van Karate Bob, Vette Lap, Magere Josje en ‘Pommetje’ is voorbij. Blonde Mien, de vrouw van Haring Arie, had het volgens René nog het langst uitgehouden. Maar net als de andere penoze en ex-prostituees in het tehuis op de Nieuwmarkt, was ook die niet meer bij de pinken.

Ook in café Pleinzicht aan het Oude Kerksplein dachten stamgasten mee. „Probeer Ouwe Freek”, had Klaas zonder omkijken vanachter de fruitautomaat gezegd, gevolgd door „Doe nog maar een plukkie”, waarna hij een briefje van vijftig liet inwisselen voor muntgeld.

Toen zijn lege glas zonder vragen was bijgevuld met ‘vers bier’ – het was nog ochtend – vervolgde hij: „Ouwe Freek zie ik hier nog weleens rondlopen met een pak geld in z’n hand. Kijk eens bij de woonboten tegenover de Montelbaanstoren. Daar woont hij.”

Het bracht geen succes. De boot was niet te vinden en ook de buren kenden geen Ouwe Freek. En toen kwam de plaatselijke garagehouder met de naam Jan Stapper, de voormalig lijfwacht van Zwarte Joop, Koning van de Wallen. Meer penoze kon je het volgens hem niet krijgen. Jan Stapper zou wonen op zo’n jaren-80-flat in Leeuwenwerf. Vlakbij. En eenmaal daar rondlopend riep een vrouw van vierhoog naar beneden „Wie zoek je?” Zij bleek de vrouw van Jan Stapper te zijn.

Terwijl zijn vrouw een kop Senseo inschenkt zinkt Stapper naast de Tros Kompas neer in zijn witleren hoekbank. „Wat wil je weten? Ik weet alles, ze kennen me allemaal.”

Zouden de schrijvers nu niet ingrijpen, dan blijft er van het gesprek weinig over dan een kluwen woorden. De zijpaden die Stapper zo nu en dan weet te bewandelen, gaan van de elektrische auto tot accuzuur, Femke Halsema, kolenmijnen en via buitenaards leven, de Tweede Wereldoorlog en de Lutherse kerk weer terug naar de elektrische auto. Dit allemaal ietwat binnensmonds, met een tong rapper dan een machinegeweer en enkel onderbroken door: „Zie ik het verkeerd?”. Niet dat Stapper, 69 jaar, niet meer bij de pinken is, dat kan niemand van hem zeggen. „De wortel van duizend? 31,62277660.”

Jan Stapper pakt de telefoon. Over zijn leven bij de maffia wil hij best vertellen. „Maar eerst ga ik je even doorlichten.”

Aan de andere kant van de lijn klinkt nu misdaadjournalist Bart Middelburg. De twee wisselen wat vriendelijke woorden uit, waarna Middelburg zegt „dat het wel oké zal zijn”, Stapper ophangt en verder gaat met zijn verhaal.

Hij vertelt over zijn jeugd in armoede. Over de gevechten met luilak tussen de jongens van Kattenburg en Wittenburg. Over hoe er werd gestaakt, écht nog werd gestaakt. En over Maccabiah, Israël, 1977, Stappers glorietijd als coach van het Nederlands karateteam. „We sloegen voor het oog van tachtigduizend toeschouwers iedereen de ring uit.” Stapper veert op. „Pang! Gouden medaille. Pang! Gouden medaille. Hè Eef…”

Evelyn knikt vanachter de laptop in de keuken.

Stapper: „Zeven keer goud en drie keer zilver”.

Hoelang Stapper en zijn vrouw al bij elkaar zijn?

Stapper kijkt verbaasd. „Dat gaat je niks aan. Wil je ook nog weten wanneer ik ’m…”

Evelyn glimlacht. „Zo lang dat ik er een lintje voor zou krijgen.”

Thuis in Amsterdam bezat Jan Stapper sportschool Oyama in de Kreupelsteeg, waar hij ‘nekkenbrekers’ als Jan Dieke en Chris Dolman trainde. Het duurde niet lang voordat ‘Zwarte’ Jopie de Vries Jan Stapper vroeg zorg te dragen voor de beveiliging van zijn imperium. De Vries was onder meer eigenaar van seksclub Casa Rosso, maar bovenal van een aantal illegale casino’s op de Wallen.

De ‘ordedienst’ van Stapper was er al snel de baas. Wie vervelend deed kreeg een gele kaart, daarna werd je gedumpt. „We hielden het schoon.” Met een knipoog: „Allemaal netjes in overleg met bureau Warmoesstraat.”

Intussen stroomde het geld met bakken binnen. Er werd niet meer geteld, maar gewogen. „Een meier woog een gram. Soms kwamen we vijf gram te kort. ‘Ach laat maar’, werd er dan gezegd.” Het muntgeld uit de illegale gokmachines in de Molensteeg bracht Stapper elke maandag in een busje met extra schokbrekers naar de Nederlandsche Bank. „De deuren gingen vanzelf open.”

En toen, op 16 december 1983, goot een boze ex-medewerker van Casa Rosso een jerrycan benzine leeg in de club. Jan Stapper stond er middenin toen het vuur om zich heen sloeg. Hij bevrijdde een zwangere vrouw en nog wat mensen, maar ook Stapper kon niet voorkomen dat dertien mensen stikten in de rook.

Na de brand viel het imperium uit elkaar. Zwarte Joop kon het drama niet verwerken, telkens kwamen de beelden terug. De Hells Angels namen de Wallen over. „Duik er maar in”, zei Stapper tegen hen. „Zie maar wat je ervan maken kunt.” Bij een brand op de televisie loopt Stapper nog altijd weg. Nu leidt hij een rustig leventje, vierhoog op zijn geboortegrond. Al haalt ‘Stappie’ met zijn ondeugendheid nog regelmatig het lokale nieuws.

Zo maakt Stapper nog altijd furore met zijn tractor, waarmee hij door de stad rijdt. Geen wegenbelasting, gratis parkeren. Met pretoogjes: „Elke zaterdag rij ik ermee naar Café de Zon, van Gerrie. Daar parkeer ik hem midden op de Nieuwmarkt.”

Geld, dat interesseert hem niet meer. Dus nee, geen gouden klokkies. „Vind jij het nodig?” Met zijn armen over elkaar: „Ik ben gelukkig. Ik heb een balkon vol met bloemetjes. Ik heb steigers. Niemand in Amsterdam heeft steigers! Jan Stapper heeft steigers. En ik ben Uomo d’Onore, een eretitel.”

Stapper staat op van de bank en inspecteert het etensbakje van de kanaries. „Weet je wat me gelukkig maakt?”

„‘Hé, Ome Jan, mogen we mee varen?’ vroegen laatst wat Surinaamse kinderen uit de buurt.”

„Vraag maar aan je ouders”, zei Stapper. „Nou, toen zijn we dus met al dat gajes naar Muiden gevaren. Met 60 knopen het IJsselmeer op.”

Ze wilden ijsjes bij Ome Cor. „Nou vooruit”, zei Jan Stapper, „Maar pas op, hè! Niet stelen, dan ga ik jullie kielhalen.”

„Wat is dat meneer, kielhalen?”

Volgende week in de serie Op de Wallen: op zoek naar de prostituees