In Roemenië werd het dadaïsme geboren

Veel avant-gardekunstenaars uit de vroege twintigste eeuw waren afkomstig uit Roemenië. Het Joods Historisch Museum focust met een tentoonstelling nu voor het eerst op hun Joodse afkomst.

Waarschijnlijk is het waar iedere West-Europese curator van droomt. Met een busje door smalle straten in een Roemeense wijk. Met gespannen verwachting de trappen op naar een driekamerappartement van een gepensioneerde privéverzamelaar, Vladimir Pana. Waar de muren boven de bedden en banken volhangen met avant-gardewerken die nog nooit een museummuur hebben geraakt. Schatkamer Oost-Europa.

Directeur Joël Cahen van het Joods Historisch Museum (JHM) werd in het najaar van 2008 op zo’n tocht getrakteerd door kunsthistoricus Radu Stern, een Roemeen die sinds eind jaren zeventig in Zwitserland woont. Dat is ook het land waarnaar prominenten uit de Roemeense avant-gardebeweging aan het begin van de twintigste eeuw uitweken, zoals Tristan Tzara (1896-1963) en Arthur Segal (1875-1944). Ze waren grondleggers van het dadaïsme en hadden grote invloed op de ontwikkeling van het surrealisme.

Het beeld van Roemenië als perifere boerenprovincie van Europa is hardnekkig en anachronistisch. Zelfs bij de erkenning dat begin twintigste eeuw de Roemeense avant-garde bloeide, lijkt het alsof de blik automatisch wordt getrokken naar hoe Roemeense kunstenaars zich in het buitenland – Zürich, Parijs – manifesteerden. Zelden ligt de focus op wat ze thuis deden en wat hen met elkaar verbond. En werden ze door het buitenland aangetrokken of erheen gedreven?

Op de tentoonstelling Van dada tot surrealisme. Joodse avant-garde kunstenaars uit Roemenië, 1910-1938, die uit het bezoek in 2008 is voortgekomen, benadrukt het JHM een feit dat tot nu toe weinig aandacht kreeg: de meerderheid van de Roemeense avant-gardemakers was Joods. Met hun provocerende experimenten zetten ze zich af tegen de Roemeense maatschappij, waarin zij zich geen staatsburger mochten noemen.

Aan Boekarest vandaag is te zien dat Roemenië eind negentiende en begin twintigste eeuw een natie in beweging was. De bezoeker die er voor het eerst komt, ziet aanvankelijk het liefdeloze geweld waarmee socialistische blokken zijn neergekwakt en vierbaanswegen door het centrum zijn getrokken. Bij de tweede blik vallen de ooit sjieke, nu afgebladderde, laatnegentiende-eeuwse gevels op. Joël Cahen ziet tijdens een rondleiding door de stad overal Bauhausarchitectuur en waant zich haast in Tel Aviv. Hij vraagt de buschauffeur bij een gebouw in de stijl van Bauhaus te stoppen, wijst op de afgeronde balkons – „net de Rothschild boulevard in Tel Aviv” – en beent enthousiast een zijstraat vol villa’s in. In ieder geval één daarvan is ontworpen door Marcel Janco (1895-1984), een van de zeven kunstenaars die nu centraal staan in de tentoonstelling.

Door de gebiedsuitbreidingen na de Eerste Wereldoorlog was Roemenië veel groter geworden. Het aantal Joden binnen de grenzen was verdrievoudigd tot ongeveer 800.000. De nog jonge staat had opeens grote minderheden en de leiding was geobsedeerd door middelpuntvliedende krachten. In de kunsten werd gezocht naar wat écht Roemeens was, in het landschap, in de architectuur. „Joden hadden het verkeerde bloed om aan dat Roemeense debat mee te doen. Dus gebruikten ze hun energie anders”, legt Radu Stern uit. Roemenen konden altijd kiezen tussen het gangbare en de avant-garde, Joden hadden geen andere keuze dan afwijken.

Van de zeven kunstenaars die op de tentoonstelling bij het Joods Historisch centraal staan, waren de meesten al internationaal bekend. Tzara, Janco en in mindere mate Segal waren in Zürich medeoprichters van Cabaret Voltaire, de geboorteplaats van de anti-kunstbeweging Dada. Ze manifesteerden zich ook in eigen land. In 1924 werd in Boekarest een grote internationale avant-gardetentoonstelling gehouden. In datzelfde jaar, en ook in Boekarest, had surrealist Victor Brauner (1903-1966) zijn eerste solotentoonstelling. De Franse surrealist André Breton noemde Boekarest ooit de hoofdstad van het surrealisme. Wel nieuw is de toevoeging van het JHM dat de kunstenaars behalve Roemeen ook Jood waren – juist omdat er vaak voor is gekozen dat niet te benadrukken.

Het antisemitisme in Roemenië, een bondgenoot van Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog, was van eigen bodem. Al ruim voor de Tweede Wereldoorlog waren er pogroms, een antisemitische paramilitaire organisatie en een antisemitische partij in het parlement. Ongeveer de helft van de 850.000 Joden werd tijdens de Holocaust vermoord.

De geschiedschrijving daarvan is ernstig versimpeld en verdraaid tijdens de communistische dictatuur van na 1948, waarin alleen plaats was voor de tegenstelling Duitsland-Rusland, niet voor binnenlandse schuld en minderheden. De doden – over de werkelijke aantallen werd gelogen – waren allemaal ‘Roemenen’. Wetenschappers brandden hun vingers niet aan publicaties over Joden.

Wie kon, vluchtte. Brauner vertrok definitief naar Frankrijk toen een wet werd ingevoerd die Joden verplichtte opnieuw het staatsburgerschap aan te vragen. Janco emigreerde in 1941 met zijn gezin naar Palestina nadat zijn zwager tijdens een pogrom was doodgemarteld. Wie bleef, paste zich aan. M.H. Maxy (1895-1971), die al eerder met het marxisme sympathiseerde, werd zelfs directeur van het prestigieuze nationale museum en produceerde het regime welgevallige sociaal-realistische kunst.

Veel werken verlieten met de makers het land. Verkopen had geen enkele zin, niemand onderkende destijds de waarde. De meeste werken aan de muren van het appartement van kunstverzamelaar Pana – waarvan nu een groot deel in Amsterdam te zien is – waren cadeaus van kunstenaars aan kunstenaars. Pana is de zoon van legerarts en schrijver Sasa Pana (pseudoniem van Alexandru Binder, 1902-1981), avant-gardist van de tweede Roemeense generatie en uitgever van onder meer Unu (Een), een tijdschrift waarin jonge kunstenaars als Jules Perahim publiceerden. Een portret van Sasa Pana, zijn zwevende hoofd zonder hals boven wat lijkt op een afgezaagde boom, staat op de kaft van de catalogus van het JHM. „Mijn vader leidde een dubbelleven”, vertelt Pana. „De avant-garde en de militaire discipline tegelijk.”

Sinds de dood van zijn vader in 1981 is er weinig bijgekomen aan de zalmkleurige muren. De thuiswonende zoon van 29 zal de werken erven, maar heeft er weinig belangstelling voor. Een schilderij van Miron Radu Paraschivescu (1911-1971), een Leninkop op een tafelblad, hangt boven zijn computer . Er was materiaalgebrek, dus ook de achterkant is beschilderd. Een snelle blik op de kant die tegen de muur hangt, laten een openstaande vulva, een penis en een suggestieve barstende vulkaan zien.

Het huis is een schatkamer, waarin zelfs een deel van de meubelstukken vroegtwintigste-eeuwse kunststukken zijn. Als avant-gardistische tijdschriften ter sprake komen trekt Pana de originelen uit de kast. Beneden ligt de correspondentie van zijn vader met André Breton.

Van één werk wilde Pana zelfs voor de tentoonstelling in Amsterdam niet scheiden. Tussen het kamerraam en de boekenkast in de woonkamer hangt een schilderij van Victor Brauner, opgedragen aan zijn tijdgenoot en vriend, de schrijver Geo Bogza (1908-1993). Het is een onthoofd naakt pezenlijf, in een landschap vol ja-knikkers. Het decor van olievelden herinnert eraan dat Roemenië toen Brauner jong was razendsnel industrialiseerde. Het boerenland maakte een inhaalslag op het noorden en westen van Europa. De avant-garde ontstond in een tijd van extremen. Binnen Europa heersten weerzin en verslagenheid door de zinloze Eerste Wereldoorlog. In Roemenië was er tegelijk optimisme door de eigen snelle economische ontwikkeling. Maar er was ook een dwangmatige zoektocht naar Roemeense identiteit die gepaard ging met marginalisering van minderheden en geweld tegen Joden.

De economische ontwikkeling en het groeiende zelfvertrouwen waarmee dat gepaard moet zijn gegaan, verklaren wellicht ook het lef waarmee de club kunstenaars te werk ging. Middelbareschooljongens nog, die poëzie en beeld lieten samenvloeien tot picto-poëzie in zelfgemaakte bladen als Pula (‘De Pik’, met als ondertitel ‘Universeel orgaan’) die ze vervolgens bij de premier van het land door de brievenbus duwden met de boodschap ‘omdat je er geen een hebt’.

„Voor mij is dit een verhaal over centrum en periferie”, zegt gastcurator Radu Stern. Begin twintigste eeuw was Boekarest even geen periferie. De stad telde mee binnen Europa. Stern noemt het in een van zijn inleidende artikelen in de catalogus van de tentoonstelling ‘de ware geboorteplaats van het dadaïsme’. Onder het communisme werd het weer teruggeworpen in de periferie.

Met de kunstenaars verdween ook veel van hun werk. Wat er nog is, is voor een groot deel in particuliere handen. De blauwe vrachtwagen die in Boekarest Pana’s collectie komt halen voor vervoer naar Nederland stopt ook bij de tempel Coral, een synagoge onder renovatie. Uit het hoofdgebouw van de federatie van Joodse gemeenschappen in Roemenië ernaast gaan vijf werken mee naar Amsterdam. Het waren donaties van leden, uit dankbaarheid en omdat ze geen geld hadden om te betalen voor de medische zorg die voor Holocaustoverlevenden is georganiseerd. De avant-gardewerken van onder meer Victor Brauner delen de ruimte met geschilderde portretjes van rabbijnen en gratis kalenders.

‘Privécollectie’ staat in de catalogus, zonder nadere uitleg. „We vestigen liever geen aandacht op wat we hier hebben”, zegt vicevoorzitter van de federatie Paul Schwartz. De wetenschap dat zich hier kostbaarheden bevinden kan alleen maar negatieve gevolgen hebben, denkt hij. Het is vrees voor diefstal, maar ook voor het bevestigen van stereotypen over rijke Joden die op een pot goud zitten. Het klinkt als zelfcensuur uit zelfbescherming. De huidige Joodse gemeenschap in het land is klein, zo’n 6.000 man, en armlastig. Van de ongeveer 1.500 synagogen zijn er nog 88 over. Veel begraafplaatsen liggen er verwaarloosd bij.

De laatste vijftien jaar communisme onder Nicolae Ceausescu was de censuur diep en ongrijpbare avant-gardekunst taboe. Inmiddels heeft de Roemeense avant-garde een eigen hal in het enorme Roemeense Nationale Kunstmuseum. Het is een vroegnegentiende-eeuws paleis van een gebouw, dat ondanks de indrukwekkende collectie blij is met twintig buitenlandse bezoekers op een dag.

Vorig jaar waagden de jonge vrouwelijke curatoren zich aan een tentoonstelling over Joodse kunst tijdens de Holocaust, op initiatief van het Elie Wiesel-instituut voor the study of Holocaust. „We hebben eerder Joodse avant-gardekunst gehad, maar zonder het Joodse te benadrukken. Nu gingen we bewust een stap verder”, vertelt Monica Enache, hoofd van de afdeling moderne kunst. De belangstelling viel niet tegen, de ontvangst was goed. Hoewel het onderwerp „nog een beetje een taboe is”, noemt ze de openheid in Roemenië nu onvergelijkbaar met tien jaar geleden. Een groter taboe rust nog op de sociaal-realistische kunst die in overvloede in de depots staat. Er staat volgens Enache genoeg dat de moeite waard is, maar nu nog roept het „te veel negatieve emoties op”. „Volgend jaar durven we dat wellicht aan.”

Van dada tot surrealisme. Joodse avant-garde kunstenaars uit Roemenië, 1910-1938. T/m 2 okt. in het Joods Historisch Museum, Amsterdam. Inl: www.jhm.nl

    • Marloes de Koning