Het dedain voor de Nederlandse cultuur

Eind vorig jaar liet staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) weten dat hij geen belangstelling had voor musea met wat „lokale potten en pannen die uit de grond zijn gegraven”. In een column in De Pers vroeg Tommy Wieringa zich af waar deze „culturele haat” vandaan kwam. Hij schreef: „De weerzin tegen cultuur komt niet uit onwetendheid voort, maar uit actief dedain. Domheid is niet meer iets om je voor te schamen. Sterker, je kunt je er positief mee onderscheiden.”

Het trieste is dat het door Wieringa geconstateerde staatssecretariële dedain doorsijpelt naar lagere regionen van het bestuur. Tot in de kleinste gemeenten proberen ambtenaren de staatssecretaris te evenaren met bezuinigingsmaatregelen die zo benepen overkomen dat alleen een actief dedain het kan verklaren.

Vorige week meldde de Nederlandse Museumvereniging, die een ‘Meldpunt Bezuinigingen’ heeft geopend, dat vijftien musea hebben gezegd dat ze daadwerkelijk zullen moeten sluiten als de voorgenomen bezuinigingen worden doorgezet. Onder hen het Nationaal Reddingmuseum Dorus Rijkers in Den Helder.

Directeur Henk Stapel van het Reddingmuseum, een gepensioneerde marineofficier en historicus, geeft mij een rondleiding in het monumentale pand dat vroeger de motorwerkplaats was van de marine. Ouderen wandelen langs vitrines met attributen van Dorus Rijkers, de beroemde ‘Heldersche Mensenredder’. Hij haalde tussen 1847 en 1928 in totaal vijfhonderd mensen uit het water.

Kinderen klimmen in uitgestalde boten en op een heus schip. Daar mogen ze aan het stuur draaien, aan alle hendels trekken en de bel luiden. In een simulatiecabine onderga ik een aanvaring in dikke mist. De plateaus trillen onder mijn voeten. Daardoor verlies je elke oriëntatie, als op volle zee.

Een windtunnel laat voelen wat windkracht tien echt is. Overal zijn schermen met filmpjes van spectaculaire reddingsoperaties uit de geschiedenis. Computers geven uitleg over de ontwikkeling van de reddingstechniek – een ingenieus houten instrument, in bruikleen van het Rijksmuseum, dat in zee blijft branden, waardoor de drenkeling ook bij nacht kan worden teruggevonden; ‘zelfrichtende’ reddingsboten die, als ze omslaan, doordraaien en zich weer oprichten.

Het museum trekt jaarlijks vijftienduizend bezoekers. Zestig vrijwilligers verkopen kaartjes, geven rondleidingen, verrichten kleine reparaties, bedenken speurtochten en besturen de vijf historische reddingsboten die buiten aan de museumsteiger liggen. Met de kleinste boot kan men varen door de binnenhaven. Met de grotere kan men de Noordzee op.

We moeten het toch nog even over de dreigende bezuinigingen hebben. Jaarlijks krijgt het Reddingmuseum 190.000 euro van de gemeente. Dat vormt 60 procent van het totale budget. De rest komt van entreegelden, commerciële activiteiten als rondvaarten en asverstrooiingen, en giften.

De gemeente wil die subsidie terugbrengen tot 160.000 euro. Stapel: „Ik heb de ambtenaren uitgelegd dat er niets meer is om op te bezuinigen. De enige betaalde kracht werkt maar twintig uur, er is geen conservator, voor speciale tentoonstellingen hebben we geen geld, op energie besparen we dankzij zonnepanelen die we op het dak hebben geplaatst. Meer valt er niet te halen.”

Hij stelde de gemeente voor om de subsidie niet met dertigduizend, maar met twintigduizend te verlagen: „Niet omdat het kan, maar omdat je het spel nu eenmaal moet meespelen.” Zelfs daar wil de gemeente niet aan.

Nou ja, zeg ik in de geest van de staatssecretaris. Wie heeft nou een reddingmuseum nodig? De blauwe ogen van de marineofficier lichten fel op: „Nergens wordt onze traditie van de strijd tegen het water zo goed verbeeld als bij de redders, die op de meest onbaatzuchtige manier hun eigen leven in de waagschaal zetten. Dat is inspirerend voor alle generaties. Wie die opofferingsgezindheid niet begrijpt, begrijpt de Nederlandse cultuur niet.”

Dat geldt, vrees ik, in elk geval voor onze staatssecretaris.

Anil Ramdas

    • Anil Ramdas