Groeiend risico van gedeelde schuld

De steun van eurolanden aan het noodfonds bedraagt 440 miljard euro. Dat fonds moet groter, zeggen sommigen. Verliest een van de landen zijn triple-A status, dan komt het fonds in de problemen.

A trader works on screens showing stock exchange share index on August 8, 2011 at French inter-dealer broker Aurel BGC in Paris. Asian stocks tumbled on August 8, 2011after last week's historic downgrade of the United States' credit rating, which compounded concerns over the world's biggest economy as well as the global outlook. AFP PHOTO MIGUEL MEDINA AFP

Het Europese noodfonds EFSF werd vorig jaar juni opgericht om de stabiliteit van de eurozone te versterken. Het heet niet voor niets European Financial Stability Facility. Het fonds geeft leningen aan Europese landen met acute financiële problemen. De EU-landen staan garant voor de leningen. Daardoor gaven de kredietbeoordelaars Moody’s, Standard & Poor’s en Fitch het noodfonds de triple A status, de hoogste waardering. Met andere woorden: de obligaties die de EFSF uitgeeft zijn volgens de beoordelaars een ‘superveilige’ belegging.

De EU-landen hebben in totaal 440 miljard euro in het fonds gestoken, waarbij ieder bijdraagt naar rato. Zo staat Nederland momenteel voor ruim 25 miljard euro garant. Duitsland heeft met ruim 119 miljard euro de grootste garantie afgegeven. Frankrijk zit voor bijna 90 miljard euro in het fonds.

Van die 440 miljard die in het noodfonds zit, kon eerst maar 250 miljard euro worden uitgeleend. De rest werd door het EFSF gebruikt als buffer om het fonds gezond te houden, nodig om de hoge kredietwaardigheid te behouden. Die is namelijk gebaseerd op een aantal garanties die het fonds heeft gegeven. De buffer die het fonds aanhoudt. Een andere is dat de landen voor 120 procent garant staan voor de leningen die het fonds verstrekt. En de triple-A status van het fonds komt ook door de triple-A status van de zes Europese landen – Oostenrijk, Luxemburg, Nederland, Duitsland, Finland, Frankrijk – die aan het fonds bijdragen.

In januari dit jaar gaf het EFSF de eerste lening uit. Het noodlijdende Ierland klopte aan voor steun. De rente voor Ierse staatsobligaties was zo hoog in de markt, dat het onbetaalbaar was voor het land om geld te lenen. Het EFSF gaf vervolgens een obligatie ter waarde van 5 miljard euro met een looptijd van 5 jaar uit in de markt. Vooral Europese en Aziatische investeerders toonden belangstelling. Het noodfonds betaalde een rente van 2,89 procent.

Maar Ierland kreeg vervolgens niet de totale 5 miljard die het EFSF uit de markt had gehaald. Ierland kreeg 3,6 miljard en betaalt daarvoor een rente van 5,9 procent aan het EFSF. De rest van lening hield het EFSF als eigen buffer.

Nog geen drie maanden na uitgifte van deze eerste EFSF-obligatie bleek het fonds helemaal niet zo stabiel als op papier. De leencapaciteit van het fonds was te laag. In maart werd daarom door de Europese minister van Financiën besloten om het noodfonds uit te breiden, zodat het fonds in totaal voor 440 miljard euro kan uitlenen aan landen die in problemen verkeren. De garanties werden verhoogd tot 780 miljard euro. Daarmee staan de landen voor 165 procent garant voor de leningen. Maar met die verhoging moeten de parlementen van de individuele Europese landen nog instemmen.

En terwijl dat nog moet gebeuren schreeuwen de markten al om een verdere ophoging van het het noodfonds. Want stel dat Italië of Spanje een beroep doen op het ESFS? Dan is 440 miljard niet genoeg.

Maar juist een vergroting van het noodfonds bedreigt de stabiliteit van deelnemende EU-landen als Frankrijk en daardoor ook die van het EFSF zelf. En dat terwijl het fonds juist bedoelt is om de stabiliteit te vergroten. Stel dat de EU-landen besluiten om meer geld in het noodfonds te steken. Dan verslechtert de begroting van die EU-landen, want ze staan voor een groter bedrag garant. Dat zou kunnen betekenen dat bijvoorbeeld Frankrijk zijn triple-A status verliest. Dat heeft rechtstreeks gevolgen voor de triple-A status van het EFSF, omdat de kredietwaardigheid van het fonds mede gebaseerd is op de kredietwaardigheid van de deelnemende landen.

Een oplossing is dat de vijf Europese landen – Oostenrijk, Luxemburg, Nederland, Duitsland, Finland – hun bijdrage aan het EFSF nog verder verhogen, zodat het EFSF de triple-A status kan behouden. Maar dat kan weer gevolgen hebben voor de kredietwaardigheid van deze landen. Een vicieuze cirkel.

    • Tom Kreling