Bij de kijker op schoot

Met zijn performance-achtige theaterstukken heeft Jan Fabre het toneel ingrijpend veranderd. Zijn ideeën over „eerlijk en direct acteren” spreken nog veel theatermakers aan.

Een actrice staat midden in een tent op het theaterfestival de Parade. De toeschouwers zitten om haar heen. Haar voorstelling heet Pauvre Lola. Toneelspeelster Stephanie Louwrier is in 2010 afgestudeerd aan de Toneelacademie Maastricht. Aanvankelijk lijkt het of zij ons meeneemt in een keurig verteld verhaal over een jonge vrouw die met ontembare energie het leven naar haar hand wil zetten.

Juist op het moment dat het publiek zich veilig waant en luistert naar Lola’s avonturen, gooit Louwrier de stijl om: ze gaat dwars door ‘de vierde wand’ heen – de denkbeeldige scheiding tussen podium en publiek. Ze laat Lola’s energie op ons los. Spreekt de toeschouwers rechtstreeks aan. Kruipt zelfs bij een van hen op schoot.

Voor een klassiek geschoolde toneelspeler is het doorbreken van de zogenoemde vierde wand een verregaand stijlmiddel. Op zomerfestivals, zoals de Parade en Theaterfestival Boulevard Den Bosch, is deze confronterende vorm van toneelspelen meer dan gebruikelijk. Je zou het zelfs de huisstijl kunnen noemen. Gangbaar in de zomer. En ongebruikelijk in het reguliere theater.

In de regie van regisseur Jeroen de Man van het gezelschap De Warme Winkel, een vaste bespeler van de Parade, voert Louwrier een performance op. Ze verschuilt zich niet achter tekst, rol of personage, maar het lijkt alsof haar solo ter plekke ontstaat. Zeker in de wisselwerking met het publiek. Ze vraagt naar iemands naam, leeftijd en of wij titelheldin Lola een mooie toekomst wensen. Zo heeft het publiek zelfs invloed op de voorstelling.

Bij ‘Pauvre Lola’ moest ik denken aan de Money Performance uit 1979 van de jonge theaterkunstenaar Jan Fabre (1958). Hij trad op in het Antwerpse Ankerrui Theater, zijn gezicht bedekt met bankbiljetten. Fabres performance ging over geld en ook hij doorbrak de vierde wand: hij nam papiergeld van de toeschouwers aan en verbrandde dat. Na dit confronterende solo-optreden maakte hij naam met voorstellingen die het hedendaagse theater ingrijpend hebben veranderd, zoals Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was (1982), gevolgd door De macht der theaterlijke dwaasheden, in 1984 uitgebracht op de Biënnale van Venetië.

Fabres theatervoorstellingen waren duidelijk beïnvloed door de performancekunst en bewegingen als Fluxus, eind jaren zestig. Hij liet zich inspireren door Amerikaanse theaterkunstenaars als Laurie Anderson en Robert Wilson. Maar hoewel Fabre nu bekend staat als beeldend kunstenaar, liggen zijn wortels wel degelijk in het theater. Het ouderwetse, ingeleefde acteren heeft hij in de Vlaamse schouwburgen van nabij meegemaakt – en zich er van jongs af aan tegen verzet. In Fabres pas verschenen boek Nachtboek 1978-1984 noteert Fabre op 5 augustus 1980: „Het theater heeft de mentaliteit nodig van de performancekunst.” Elders staat, bij het kopje ‘Luik december 1982’: „En wij zullen de gidsen zijn voor een nieuw soort theater.”

Fabres Nachtboek is een bizar geheel waarin artistieke dromen en nachtmerries, seksuele fantasieën en quasi-poëzie elkaar afwisselen. Wat Nachtboek waardevol maakt, is de beschrijving van Fabres zoektocht naar een nieuwe vorm van theater, waarin de performance overheerst. Hij wil, zoals blijkt uit een notitie gedateerd Antwerpen, 2 mei 1979, „acteurs verlossen van hun acteur zijn”. Ofwel: hij wil het traditionele ingeleefde toneel, het mooie acteren met gestileerde emoties, verbannen uit de theaterzaal. Rauw en puur moet het spel zijn; eerlijk. Zoals de performance dat is.

In de stijl van de performance, zoals Jan Fabre die nastreeft, valt de denkbeeldige grens tussen zaal en bühne, die vierde wand, weg. Voor Fabre is het de eerlijkste en meest authentieke vorm van theater. De „naakte acteur” op het podium. Destijds zette hij een trend in het Nederlandstalige theater, waarvan het effect nog steeds te merken is. De vele acteurs die acte de présence geven op de zomerfestivals staan in Fabres traditie – misschien zonder dat ze het merken.

Acteur en regisseur Jeroen de Man voelt zich verwant met het theaterwerk van Fabre, zeker na publicatie van zijn visie in Nachtboek. De Man: „Zijn ideeën spreken me aan. Ik verveel me bij acteurs die zich achter de vierde wand verstoppen en een avondje lang ‘doen alsof’. Acteren is natuurlijk altijd ‘doen alsof’, maar er zijn meer mogelijkheden dan gevoelvol spelen. Dat is het niveau van de anekdotiek. Het publiek op de Parade komt daar niet voor. Dat zien ze wel in de schouwburg.”

Waar het volgens De Man om draait, is het directe contact. Dat geldt ook voor George van Houts. Hij geniet naam als cabaretier maar voelt zich allereerst acteur, of liever: performer. Al meer dan vijftien jaar is hij een vaste deelnemer aan de Parade, ditmaal samen met Raymonde de Kuyper in het stuk Who’s Afraid of George and Mildred? Van Houts: „Ik wil het publiek veel directer bij een voorstelling betrekken. Dat kan door ze rechtstreeks aan te spreken en te laten zien dat je geen rol speelt, maar live in het hier en nu van de uitvoering staat, en zelfs kunt reageren op reacties uit het publiek.”

Ook Raymonde de Kuyper zoekt de „onmiddellijke band met de toeschouwer”. Op de Parade kan dat. Ze zegt: „Elke seconde, elke scène moet meteen raak zijn in zo’n theatertent op een drukbezocht festivalterrein. Dat vereist een snelle, vrijgevochten speelstijl zonder uiterlijke vertoning.”

Vooraanstaande acteurs als Kees Hulst, Wendell Jaspers, Dick van den Toorn, Marisa van Eyle en vele anderen kiezen ervoor in het zomerseizoen ver weg van de traditionele theaterzaal te spelen. Kees Hulst, die optreedt als boer Bert in het toneelstuk Kracht door Matzer Producties, benadrukt dat hij op locatie „geïnspireerd raakt door het samenspel tussen plek en toeschouwer”. Kracht is gesitueerd in een verlaten koeienstal waar de mest metershoog aan de muren kleeft. In zo’n realistische ruimte schiet een ordentelijke speelstijl tekort. „Je kunt in een tent of boerenstal niet even een vierde wandje opzetten”, legt Jeroen de Man uit. „Daarom kiezen veel acteurs voor de stijl van de performance, dat betekent: spreek het publiek aan, doorbreek de vierde wand en laat zien dat je acteert. Het zomerse theaterpubliek komt voor een afwijkende toneelvorm.”

In Pauvre Lola laten regisseur en actrice zien tot welk nieuw theater Fabre heeft geïnspireerd. „Het theater kent onnoemelijk veel stijlen”, aldus De Man. „Daarvan vind ik de performance zoals Fabre die definieert onmisbaar om tot een spannende verhouding tussen acteur en toeschouwer te komen. Het is wat Fabre aldoor heeft gedaan en ik volg hem daarin: mensen zijn gewend naar theater te kijken alsof de voorstelling een verhaaltje is. Maar je moet het publiek onvoorspelbaar theater tonen. In een Parade-tent doen acteurs dat makkelijker dan in de zaal. Daarom kunnen we voor het reguliere theater veel leren van de performancekunst.”

Jan Fabre: Nachtboek 1978-1984. Uitg. De Bezige Bij Antwerpen, 234 blz. Prijs € 22,50. De Parade Amsterdam, t/m 21/8. Inl: deparade.nl; Boulevard Den Bosch, t/m 14/8 festivalboulevard.nl.