Wat smeulde op straat, is nu ontploft

Winkelstraten als slagveld, de Britse hoofdstad Londen als vesting. Na vier dagen van hevige onlusten zoekt het Verenigd Koninkrijk naar verklaringen voor het geweld. Wie roept de relschoppers ter verantwoording?

Ongeregeldheden tot ver buiten Londen, meer dan 100 miljoen pond schade aan winkels en woningen, en ruim 1.300 arrestanten van wie de jongste, die vandaag voor de rechter wordt voorgeleid, slechts elf jaar oud is.

Na vier onrustige en gespannen nachten stellen de Britten zich maar één vraag: waarom? Hebben deze jongeren dan geen enkel respect voor de eigen gemeenschap, waarvan ze nu de winkels plunderen en de huizen in brand steken?

Met de roep om gerechtigheid na de dood op donderdag van de 29-jarige Mark Duggan in Tottenham hebben de ongeregeldheden weinig meer te maken. Hele winkelstraten zijn veranderd in een slagveld, Londen was gisternacht een vesting. Politici hebben het over „opportunistische diefstal”, en wijzen erop dat alleen bepaalde winkels worden vernield. Daar waar de plasmatelevisies te koop zijn, de mooiste sportschoenen en de nieuwste kleding.

Maar wie de afgelopen dagen met jongeren sprak, en luisterde naar jeugdwerkers, sociologen en criminologen krijgt een ander beeld. Zij zijn allerminst verbaasd. Want nu komt aan de oppervlakte wat zij al jaren op straat voelen, in de enorme sociale woningbouwbuurten waar jongeren opgroeien zonder familiestructuur, zonder besef van autoriteit en zonder eerbied voor andermans bezit. Daar geldt het recht van de sterkste en wordt respect afgedwongen met mooie spullen. Daar wordt gepraat over rechten en niet over verantwoordelijkheden. Daar is nauwelijks toekomstperspectief, helemaal niet tijdens een economische crisis, als de jeugdwerkloosheid en bezuinigingen op jongerencentra juist deze buurten raken.

De deskundigen wijzen op de voorbeelden die deze jongeren krijgen uit de ‘officiële maatschappij’: bankiers die roekeloos omgingen met andermans geld, parlementsleden die sjoemelden met hun declaraties, politieagenten die zich lieten omkopen door journalisten en politici die zich lieten fêteren door een rijke mediamagnaat. Niet dat de relschoppers dat zo welsprekend zullen uitdrukken. Dit is geen georganiseerd protest tegen de autoriteiten of de overheid, zoals eerdere studentenrellen. Hier zal geen woordvoerder opstaan die met eisen komt. Zoals twee tienermeisjes, die al de hele nacht gratis rosé dronken, tegen de BBC zeiden: „We laten zien dat we kunnen doen wat we willen.”

Dat de politie, zeker zaterdagnacht in de eerste uren van de rellen, nauwelijks greep leek te krijgen op de plunderingen, versterkte onder de relschoppers het idee dat zij hun gang konden gaan. Daarin werden ze gevolgd door een tweede groep: toeschouwers die liet zich meeslepen. Dat het midden in de zomervakantie is, verergert de rellen ook nog eens.

„Deze generatie is opgegroeid in een maatschappij waar identiteit wordt bepaald door goederen”, zegt Clive Bloom, auteur van Violent London: 2,000 Years Of Riots, Rebels And Revolts, in een telefonisch interview. „Ze zien consumptieartikelen en willen die hebben. En in een tijd van economische crisis is er geen andere manier dan diefstal.”

Wat dat betreft, zegt hij, „zijn het bijna Vikingen”. „Ze zijn zich er heel goed van bewust dat ze anderen angst aanjagen.” Het idee dat de relschoppers kunnen worden overtuigd te stoppen „door nette overreding”, noemt Bloom belachelijk. „Zelfs als ze nu worden opgepakt, is dat een symbool van hoe machtig ze zijn. Het vergroot hun respect op straat.”

Er is niemand die deze relschoppers ter verantwoording kan roepen, zoals in de jaren tachtig kerkelijke en etnische leiders dat nog wel konden. Bloom wijst op de oproep van de plaatsvervangend hoofdcommissaris, die ouders smeekte om zich ervan te verzekeren dat hun kinderen thuis waren. „Dat is toch ongelooflijk? Het komt met onze middle-classgezinnen niet in ons hoofd op dat we niet zouden weten waar onze kinderen zijn. Maar hier heb je het over jongeren die hun ouders nooit zien.”

De rellen waren te verwachten, zegt hij. „Zes jaar geleden [na de aanslagen op Londen] richtten we onze energie op de islamitische gemeenschap. We hadden het gevoel dat in arme zwarte, blanke en christelijke gemeenschappen alles wel voor elkaar was. Dus de hele infrastructuur zakte daar in.” Aan de subsidies kwam in deze wijken een einde. Dat het geweld toenam tussen blank en zwart en met name tussen zwart en zwart, werd volgens hem wel gesignaleerd. „In tegenstelling tot in Parijs, waar de rellen in de voorsteden plaatsvonden, wonen we hier in Londen allemaal samen. De haarden van opstand waren binnen de gemeenschap.” Maar „het was een hete aardappel”. „Deze jongeren zijn zo bedreigend. Wie wilde daar nu aan beginnen?”

Rellen in Engeland: In het nieuws