Relschoppers als barbaren zien helpt niet

De rellen in Londen en andere Britse steden zijn niet het werk van willekeurige, verveelde jongeren. Het gaat wel degelijk om een politieke strijd, betoogt Willem Schinkel.

Wie de beelden van rellen in Londen en andere Britse steden ziet, kan een gevoel van walging moeilijk onderdrukken. Gemaskerde jonge mannen en vrouwen die winkels vernielen en mensen bestelen. Wat overheerst, is een wens tot repressie. We hoeven niet te weten hoe het zit: dit zijn verveelde jongeren, ‘barbaren’.

Het hoofdredactioneel commentaar van deze krant stelde gisteren dat ‘al te vrome analyses’ zinloos zijn. Daarmee werd bedoeld: analyses die in rellen een politiek element zien. Hier was hooguit een ‘politiek alibi’ voor rellen en stelen aanwezig.

Natuurlijk zijn imitatiegedrag en adrenaline en niet intellectueel verwoorde politieke motieven, in directe zin debet aan deze rellen, maar de walging zit de analyse hier in de weg. Zoals twee Britse meisjes deze week zeiden: het ging om ‘showing the rich people we can do what we want’. ‘Rijk’ zijn voor hen al mensen met een winkel, en Londen als geheel is een stad waarin armoede in kleine ‘pockets’ midden tussen de welvarende klasse bestaat.

Zijn we blind geworden voor wat nog de betekenis van ‘politiek’ is, als we niet meer zien dat het hier jongeren betreft met veel frustratie en weinig toekomstkansen?

Natuurlijk gaat het hier niet om willekeurige verveelde jongeren. En natuurlijk hebben rellen tegen een bestaande orde, ook zonder in drievoud getekend manifest, een politieke lading. Zowel in de gedepolitiseerde duiding van de rellen als in de frustratie van de jongeren wordt pijnlijk duidelijk dat echte mobiliserende politieke ideologieën tegenwoordig node gemist worden.

De rellen volgen een bekend patroon. Aanleiding is de al dan niet terechte beschuldiging van politiegeweld, waarna honderden jongeren gedurende meerdere dagen hun woede koelen op winkels, auto’s en politie. Dit patroon deed zich onder meer voor in Newark in 1967, in Londen en Bristol tussen 1980 en 1985, in 1990 in het kleine Franse plaatsje Vaulx-en-Velin, in 1992 in Bristol, eveneens in 1992 in Los Angeles, in 2001 in Bradford, Oldham en Burnley, in 2005 en 2007 in Parijs en andere Franse steden, in 2007 in Utrecht en in 2009 in Brussel.

Steeds gaat het om mensen die relatief arm, machteloos en politiek ondervertegenwoordigd zijn, en die zichzelf ervaren als slachtoffer van controle en geweld van een meer welvarende en machtige klasse burgers. Relschoppers wonen in buurten die een ruimtelijk en sociaal stigma hebben, waar werkloosheidscijfers hoog zijn en waar weinig wordt geïnvesteerd in behuizing en publieke goederen. Die investeringen gaan wel naar wat ‘veiligheid’ genoemd wordt. Groot-Brittannië is Europees leider in veiligheidsparanoia. Het land kent 4,5 miljoen closed circuit television cameras (CCTV, al dan niet met gezichtsherkenning) en (hoewel momenteel gesteld wordt dat er te weinig zijn) een enorme toename van politieagenten op straat. Steeds meer diensten – overheid of privaat – zijn de afgelopen jaren betrokken geraakt bij het controleren van specifieke groepen in specifieke wijken. Het gaat daarbij om relatief arme, jonge mensen. Aan hen wordt permanent duidelijk gemaakt dat ze anders behandeld worden dan de welgestelde burger. In Engeland worden jaarlijks duizenden zogenaamde Anti-Social Behaviour Orders uitgedeeld, soms voor spugen of vloeken in het openbaar, sinds 2003 zelfs aan tienjarigen, als een vroeg maar officieel brevet van uitsluiting.

Avondklokken, gebiedsverboden en winkelverboden worden in steden als Londen, Manchester, Leeds en Sheffield al jaren gebruikt om jongeren te controleren. Sinds 1992 komen ‘rondhangende jongeren’ consistent in de top 3 voor van ‘grote problemen’ in wijken in de British Crime Survey.

Onderzoek uit Manchester laat zien hoe samenscholingsverboden (Dispersal Orders) criminaliserende effecten hebben omdat ze, zoals bijna alle ‘preventieve’ maatregelen, een ‘bias’ naar jongeren hebben. Jongeren worden bijna bij voorbaat tot crimineel verklaard. Ook bij jongeren die zich met legitieme dingen bezig hielden, groeiden anti-politie-sentimenten. En agenten gaven zichzelf grappend de bijnaam ‘child catchers’.

Nederland kent gelukkig niet een sociaal-economische segregatie op de schaal van Frankrijk of Groot-Brittannië. Maar ook hier wordt sinds een aantal jaar zwaar op ‘preventie’ en op de controle van ‘jongeren’ ingezet, bijvoorbeeld via selectief gehandhaafde samenscholingsverboden en ‘vip’-behandelingen (‘very irritating police’).

Maar nee, ‘al te vrome analyses’, daar hebben we geen zin in. Het lijkt soms wel alsof we geen puf meer hebben voor achtergronden, voor analyse, voor perspectieven op de complexiteit van het samenleven. We willen praktische oplossingen, maar komen die er werkelijk door relschoppers te zien als barbaren of, zoals toenmalig minister Sarkozy ze noemde, ‘racaille’, uitschot?

Zoals we blind lijken voor analyse, zo zijn we blind voor ‘politiek’. In Frankrijk was in 2005 een van de problemen, dat zwaar bezuinigd was op initiatieven in de wijken waar veel relschoppers woonden. Cruciaal was alleen al de symbolische functie die uitging van de institutionele terugtrekking uit gebieden waar enorme werkloosheid en weinig toekomstperspectief heerste.

De Franse rellen waren, stelde de Sloveense filosoof Slavoj Zizek, extreem democratisch, hoe paradoxaal dat ook klinkt: wat de jongeren eisten was dat ze gezien werden – en zichtbaarheid in de publieke ruimte is een typisch republikeinse eis. Wie niet op legitieme manier gezien en gehoord wordt, opteert vroeg of laat voor alternatieven. Daarin ligt een politiek streven naar erkenning, naar het überhaupt toegang hebben tot de politiek.

Willem Schinkel is universitair hoofddocent sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam