Peters begrijpt de ophef eigenlijk wel

Mariko Peters verweert zich tegen de beschuldiging van belangenverstrengeling.

Ze vindt de uitgelekte mails „genant”, maar zegt ook: „Ik heb integer gehandeld. ”

Kamerlid Mariko Peters (GroenLinks) heeft lang gezwegen. Ze zweeg vorige week nadat weekblad HP/De Tijd haar had beschuldigd van medeplichtigheid aan ontvoering van kinderen. En ze zweeg daarvoor ook – niet tegen de partij, wel tegenover de buitenwereld – toen ze wist dat de ex van haar partner Robert Kluijver journalisten benaderde met een cd-rom vol belastend materiaal. Wat niet hielp, was dat het weekblad persoonlijke e-mails onthulde die de schijn van vriendjespolitiek wekten. Dat is een ernstig verwijt voor een Kamerlid. Het leek ook niet handig: iedere dag dat Peters zichzelf onbereikbaar hield, kwam meer belastende informatie boven water.

Waarom toch die stilte?

„Ik heb tot nu gewacht met het vertellen van mijn verhaal omdat de kinderen op de eerste plaats komen. Vergeet niet dat zo’n affaire als deze een enorme weerslag op hen heeft, het zijn jonge kinderen. Bovendien: ik wist dat Roberts ex langs journalisten ging, maar ik kende niet het materiaal waarmee ze dat deed. Aanvankelijk was ik vooral verbouwereerd door de wijze waarop een weekblad als HP/DeTijd zich zo evident verlaat op informatie die afkomstig is uit één bron die op zijn minst bevooroordeeld is. Terwijl er kinderen mee gemoeid zijn. En ik was boos dat hun vader in de nationale pers het etiket kinderontvoerder kreeg, terwijl ik hem ken als een liefhebbende, zorgzame vader die jarenlang heeft meegemaakt dat zijn kinderen spoorloos verdwenen.”

Maar tegelijkertijd is er de ernstige beschuldiging van vriendjespolitiek. Begrijpt u überhaupt de ophef daarover?

„Ja. Toen ik dit weekeinde kennis nam van de e-mails die ik zes jaar geleden heb verstuurd, was ik enorm gegeneerd. Koffie drinken en praten over een culturele instelling met een man die later mijn partner werd – dan denk je natuurlijk: dat had wel wat zakelijker gemogen. Maar ik weet dat ik destijds integer heb gehandeld.”

Wie de mails op een rij ziet, denkt aan een gunst voor een geliefde.

„Als je de mailtjes zo leest, dan denk ik ook: ja, die toon is wel heel informeel. En nee, het is zeker niet de paus die daar aan het woord is. Maar ik hecht eraan te vertellen wat mijn rol precies was. Ik zou informatie verzamelen over het project waar Roberts organisatie een leidende rol in speelde. Het Prins Claus Fonds heeft wereldwijd een netwerk van organisaties, waaronder ambassades, om achtergrondinformatie over projecten te vergaren. Dat is een standaardprocedure. Ik was toen ambassademedewerker, belast met cultuur, dus het was logisch dat dit verzoek bij mij terechtkwam. Ik heb reguliere informatie opgevraagd, informatie verzameld op kantoor en als doorgeefluik gefungeerd. Het Prins Claus Fonds heeft later zelf, na ook bij anderen informatie te hebben ingewonnen, een oordeel geveld. Ik heb nooit zicht op dat proces gehad. Het Fonds heeft een autonoom besluit genomen. Ik zat niet zelf de cheque uit te schrijven.”

Het heeft de schijn van vriendjespolitiek. U vindt van niet?

„Op het gevaar af dat ik de mij niet geliefde uitdrukking ‘met de kennis van nu’ gebruik, kun je natuurlijk zeggen dat ik verliefde gevoelens begon te hebben voor een man die later mijn partner werd. Met the benefit of hindsight, zeg maar. Alleen was dat toen in een ontluikende fase. De vraag is natuurlijk of ik daardoor een gekleurd advies aan het Clausfonds heb gegeven. Dezelfde vraag kun je stellen als ik een bloedhekel aan iemand had gehad, of als de persoon in kwestie mijn broertje had gepest. Daar komt bij: het is een kleine, gesloten, professionele omgeving waarin wij werkten in Afghanistan. Het is daarin moeilijk mensen te vinden die niet in een bepaalde relatie tot elkaar staan; die elkaar niet ook persoonlijk kennen, elkaar leuk vinden, elkaar haten of ruzie met elkaar hebben gehad. Maar goed, dat neemt niet weg dat de vraag blijft: heb ik zaken te rooskleurig voorgesteld vanwege mijn ontluikende gevoelens voor Robert destijds? Ik heb dezer dagen in de spiegel gekeken en die vraag gesteld. Mijn antwoord is: nee, ik heb integer gehandeld. En mede op mijn verzoek doet Buitenlandse Zaken een nader feitenonderzoek.”

Meest belastend is misschien wel die concluderende mail, van hem aan u, maanden na uw advies: ‘We hebben meer geld gekregen dan we verwachtten. Dat vind ik prachtig.’

„Daar ben ik verder helemaal niet bij betrokken geweest.”

Maar dit wekt toch de indruk dat het, op zijn minst, een beetje ongelukkig is verlopen?

„Ik heb mijn eigen advies teruggezien. Dat was niet alleen maar positief. Zo maakte ik de kritische kanttekening dat het gevraagde bedrag misschien wel te hoog was.”

Het was zoveel makkelijker geweest als u het aan een collega had gegeven.

„Het was allemaal heel pril en je kunt alleen nu vaststellen dat ik toen verliefd op hem was. Het was toen slechts een man van wie ik onder de indruk was.”

Flink onder de indruk, getuige de mails die nu op straat liggen.

„Het was inderdaad een informele toon. Het was een flirtmail. Maar de belangrijke vraag is: heb ik daardoor mijn werk niet goed kunnen doen? Op het moment dat ik wel vond dat de schijn van vriendjespolitiek kon ontstaan, begin 2006, toen zich daadwerkelijk een relatie tussen ons ontwikkelde, heb ik dat gemeld aan de ambassadeur en is er in overleg een functiescheiding aangebracht.”

Moeten politici, die de mond vol hebben van idealen, niet juist zelf verschoond blijven van iedere schijn van onoorbaar handelen?

„Publieke ambtsdragers, vertegenwoordigers van de rechterlijke macht én media hebben inderdaad een voorbeeldfunctie en daarom geldt voor hen een hoge ethiek. Ik ben politicus en ik begrijp, en vind, dat ik me in de publieke arena moet verdedigen. Ik heb bedacht dat ik geen juridische stappen zal ondernemen tegen HP/DeTijd, zoals ik eerder overwoog. Politici en journalisten horen elkaar niet in de rechtszaal tegen te komen, ook als er schandalige onjuistheden in het geding zijn. Ik ga wel naar de Raad voor de Journalistiek. Ik wil graag dat artikelen als deze tegen het licht van de ethische standaarden van de beroepsgroep zelf worden gehouden. Artikelen die geschreven zijn op basis van één enkele bron, die ongenoemd blijft, terwijl die zelf ook nog eens belanghebbende is.”

Of de beschuldigingen terecht of onterecht zijn, ze worden u aangerekend. Kunt u hierna nog effectief functioneren als volksvertegenwoordiger?

Na een lange stilte: „Die vraag is niet in me opgekomen. En nee, daar twijfel ik geen seconde aan. Ik wacht het onderzoek daarom ook vol vertrouwen af.”

Peters onderstreept tijdens het interview een paar keer dat het hier om „een familiedrama” gaat waar kinderen bij betrokken zijn. Achter haar publieke stilte blijkt vooral boosheid schuil te gaan. „Ik ben woest.” Vooral over de manier waarop HP/De Tijd één enkele partij in een familiedrama heeft afgetapt, louter en alleen omdat zij, Peters, een Kamerlid is. Een publieke persoon.

Mariko Peters: „Het is verschrikkelijk om een familiedrama op zo’n manier in de openbaarheid te zien. Al jaren weet ik een enorme wrok op mij gericht, door de ex-vrouw van mijn partner. Dat is niets nieuws: het artikel is een verschijnsel van een patroon dat een lange geschiedenis heeft, en waar ik lang stil over ben gebleven. Ik heb te maken gehad met lastercampagnes, haatmails en bedreigingen. Robert en zijn ex-vrouw hebben een tragische scheiding achter de rug. Ze verdween uit Afghanistan en kwam dan soms ineens weer terug, om te stalken. Ze is in Kabul in een aangrenzend pand komen wonen om mij in de gaten te houden. De bewaking van de Nederlandse ambassade kreeg argwaan, door vreemde situaties en verdachte types. Dat ging zo ver dat ik op een gegeven moment in enkele uren tijd geëvacueerd moest worden uit Afghanistan. Dan weet je wel zo’n beetje waar je aan toe bent.”

Toch heeft de overheid het verzoek van uw partners ex gehonoreerd om de kinderen terug naar de moeder te brengen. Hoe zit het daarmee?

„Er was geregeld dat ze de paasvakantie zouden komen en dat ze hier de zomer zouden doorbrengen. De vraag was: waar zijn ze in de tussentijd? Robert dacht dat ze bij hun moeder zouden zijn. Alleen: hun moeder wilde in de tussentijd niet voor de kinderen zorgen, ze zouden tijdelijk in een ander land gaan wonen en naar school gaan. Als vader breng je je kinderen niet weg als je je afvraagt waar ze eigenlijk naartoe gaan en wie voor ze gaat zorgen. Als niet de moeder voor ze zorgt, dan is het logisch dat de vader voor ze zorgt. Daarom zijn ze in de tussentijd bij ons gebleven. Een week voordat we de koffers pakten voor de vakantie, kwam er een verzoek voor teruggeleiding. Afgelopen zaterdag zijn ze, gelukkig, overgedragen aan hun moeder, hoewel tot het laatste moment onzeker bleef of die ze in ontvangst wilde nemen.”