Obama moet weer gaan leiden, in woord en daad

Nu de Verenigde Staten een grootmacht in verval blijken te zijn, moet Obama de paniek onder zijn volk sussen. Alleen retorisch vuur is niet genoeg, vindt Kirsten Verdel.

Het is geen nieuws dat het niet zo goed gaat met de Verenigde Staten. We weten al jaren dat het land te hoge schulden, een moeizaam draaiende economie en een hoge werkloosheid heeft. Ook weten we dat de VS betrokken zijn bij twee dure oorlogen en beschikken over gezondheidszorg- en onderwijssystemen die aan grootschalige renovatie toe zijn, terwijl daarvoor praktisch geen geld is. We weten ook dat dit bepaald niet de enige problemen zijn waarmee de overwinnaar van de Koude Oorlog worstelt.

Wat wel nieuws is, is dat deze scheuren en barsten in het firmament plotseling zichtbaar zijn geworden. De zenuwslopende politieke strijd over het schuldenplafond is hier debet aan. De uitkomst daarvan heeft ervoor gezorgd dat de markten nog nerveuzer zijn geworden dan ze al waren. Al dagen duiken de koersen op de aandelenmarkten verder naar beneden. Wat iedereen al wist, kunnen we nu ook zien. Amerika is misschien wel een grootmacht in verval. Amerika gaat – is? – misschien wel failliet.

Een van de steeds terugkerende vragen bij de strijd over het schuldenplafond luidde: „heeft Obama het wel goed gedaan?” Een antwoord hierop vereist enige context. Zo is het bepaald niet de eerste keer dat het schuldenplafond van de VS is verhoogd. Sinds 1962 was dit maar liefst de 75ste keer dat dit gebeurde. Onder Reagan werd het plafond achttien keer opgehoogd en onder George W. Bush zeven keer. Plat en wellicht wat kort door de bocht gezegd: Amerika moet wel. Anders kan het zijn rekeningen niet meer betalen en stort de economie in – voor zover dat niet al aan het gebeuren was.

De discussie over ophoging van het schuldenplafond is dus louter symbolisch. Democraten gebruiken dit debat om op te roepen tot belastingverhoging voor hogere inkomens. Republikeinen pleiten voor bezuinigingen om de schuld te verkleinen. Op het laatste moment sluiten ze altijd een compromis.

Dit jaar leek het bijna echt mis te gaan, omdat er een nieuwe factor in het spel was: de Tea Party. Nadat alle rituele bewegingen voor de 75ste keer waren gemaakt, was de Republikeinse (!) voorzitter van het Huis van Afgevaardigden met een voorstel gekomen. Daarin werd, zoals gebruikelijk, tegemoetgekomen aan beide partijen. Hij werd echter teruggefloten door Tea Partyleden en door ‘reguliere’ Republikeinen die vonden dat hij niet mocht toegeven aan de Democraten. Obama werd gedwongen om in te stemmen met een voorstel dat praktisch alleen de Republikeinse eisen inwilligde.

Velen wezen naar Obama. Hij had een oplossing gecreëerd, maar de Democraten hadden duidelijk verloren. Hij had feller moeten zijn. Hij had zijn rug recht moeten houden, de Tea Party de les moeten lezen en sneller tot een oplossing moeten komen. Hij had de financiële markten te lang in onzekerheid gehouden. In plaats daarvan was hij gezwicht voor de Tea Party.

In The New York Times van afgelopen zaterdag beschreef politiek adviseur en professor in de psychologie Drew Westen de leden van Tea Party als ‘pestkoppen’. Hij constateerde dat Obama totaal niet met hen kon omgaan. „Obama heeft een diepgewortelde afkeer van conflict en een groot gebrek aan begrip voor de dynamiek van pesten – waarbij bemiddeling altijd de verkeerde manier van handelen is, omdat de pestkoppen dat als zwakte zien en een volgende keer nog harder slaan.” Westen zei ook dat Obama maar niet op de juiste manier wist te communiceren met het Amerikaanse volk. Hij zou veel beter duidelijk moeten maken hoe de overheid van plan is om meer banen te scheppen en om het land uit het slop te trekken.

Het devies luidt dus: management by speech. Daarin was Obama in zijn campagne juist altijd zo goed, maar met praten alleen komt Obama er niet meer. Die tijden zijn voorbij. Dat liet ook China overduidelijk weten, vlak nadat het schuldenplafond was verhoogd. Het land liet weten zich zorgen te maken om „de verlammende tendens om de economie te politiseren”. Niet veel later verlaagde Standard & Poor’s de kredietwaardigheid van de VS, voor het eerst in de geschiedenis.

De macht van het woord kan heel groot zijn in onzekere tijden. Mensen zoeken immers houvast. Soms weten ze wel dat de laatste strohalm is afgebroken en dat ze al drijven op open zee, maar alleen al de woorden „hulp is onderweg” kunnen voldoende zijn om nog lang te overleven. Het lijkt erop dat het moment waarop Amerika overboord is geslagen in 2008 lag. Mensen beginnen te twijfelen of de beloofde hulp ooit komt – vandaar de paniek.

Obama kan de truc nog een keer uithalen. Als inspirerende woorden een laatste hoop zijn, dan kunnen die zelfs nog effect sorteren op het moment dat je al kopje onder aan het gaan bent. Met termen als revenue enhancements in plaats van belastingverhoging voor de rijken, of entitlement cuts in plaats van bezuinigingen op pensioenen en andere uitkeringen waar mensen decennialang hard voor gewerkt hebben, is dat alleen weinig inspirerend.

Wat valt Obama te verwijten? Natuurlijk dat hij management by speech nauwelijks meer probeert, maar vooral dat hij te lang wacht met het nemen van besluiten. Dat hij de Republikeinen en de Tea Party te veel ruimte geeft, ook al hebben ze een meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. Dat hij te veel mogelijke kiezers voor 2012 probeert te pleasen met woorden die zijn getest in focusgroepen. Af en toe moet ik wat dat betreft denken aan een uitspraak van de Franse politicus Alexandre Auguste Ledru-Rollin: „Daar gaat mijn volk, ik moet erachter komen waar het naartoe gaat, opdat ik het kan leiden.” Obama moet gewoon leiden – in woord en daad.

Kirsten Verdel is senior adviseur bij Dröge & Van Drimmelen en voormalig stafmedewerker van Barack Obama.