Militair maakte lepel overbodig

Tijdens zijn militaire dienst vond een Haagse koper-slager de automatische suikerpot uit. Zijn uitvinding sierde ooit het theeservies van een Indiase maharadja, nu is zij vooral een verzamelobject.

suiker FOTO: stock.xchng

Velen kennen het nog wel: het licht metalen potje, waarbij u met een druk op de knop aan de ene kant een schuifje aan de andere kant in werking zette en zo een afgemeten hoeveelheid suiker in de thee of koffie deed. De uitvinder van deze ‘automatische’ suikerpot, was een Haagse koperslager.

In 1933 kreeg Johannes Martinus Maria van den Broek het octrooi voor ‘een inrichting voor het regelbaar afstemmen van poedervormige of korrelige stoffen’ toegekend. De uivinding zelf dateert al van twee jaar eerder.

Koos en Jannie Havelaar doen het verhaal van de uitvinding uit de doeken in Haagvaarder Nr. 69, het bulletin van de Stichting Haags Industrieel Erfgoed (SHIE). „Wij wisten ook van niets, maar zijn toevallig in contact gekomen met iemand die vertelde dat zijn overgrootvader de suikerpot had uitgevonden”, zegt Koos Havelaar, voorzitter van SHIE. „Aan de hand van familieverhalen en archiefonderzoek hebben we kunnen achterhalen hoe de uitvinding tot stand is gekomen en wat er daarna is gebeurd.”

Van den Broek (1896) had een fabriekje in het Haagse centrum in de Elandstraat en maakte als ‘fabrikant van koper-, nikkel- en bronswerken’ van alles: van hekwerken tot kroonluchters en kaarsenstandaards. Begin jaren dertig ging zijn automatische suikerpot, die hij al tijdens zijn militaire dienst in de wapenkamer had bedacht, in productie. Het Vaderland noemde hem ‘een aardige uitvinding, waarbij de lepel overbodig is geworden’. De ‘aardige uitvinding’ werd een succes, want een jaar later maakte dezelfde Haagse krant bekend dat de firma J.M.M. van den Broek aan de De Withstraat een showroom annex winkel en kantoor had geopend. Showroom en de fabriek in de achtergelegen straat stonden via een binnenplaats met elkaar in verbinding.

Een buitenlandse vorst zou korte tijd later een speciale bestelling hebben gedaan, zo hoorden de Havelaars van nog levende familieleden. „De sjah van Perzië en de Ethiopische vorst Haile Selassie werden genoemd.” Het probleem van oral history dat iedereen zich iets anders herinnert kon in dit geval worden opgelost: iedereen was het erover eens dat er een bericht in de krant had gestaan. „Zo hebben we kunnen achterhalen dat het om de Indiase maharadja van Patiala ging.” De maharadja had tijdens een bezoek aan het kantoor van de KLM op tafel een automatische suikerpot gezien. Hij vond hem zo bijzonder dat hij meteen 24 verzilverde suikerpotten in een speciaal etui voor zijn hofhouding had besteld.

De firma met enkele personeelsleden was en bleef een echt familiebedrijf, ook na de dood van Van den Broek in 1941. Zoon Toon maakte de stempels voor de vorming van de suikerpotten, schoonzoon Frans stanste de onderdelen, jongste zoon Johan polijstte de potten en dochter Riet en schoondochter Cor zetten, terwijl hun kinderen op de binnenplaats speelden, met klinknageltjes de oren aan de potten. De productie zou nog tot in de jaren zeventig doorgaan, maar toen had intussen een Amsterdamse groothandel het bedrijf al overgenomen.

Nu zijn de suikerpotten verzamelobjecten geworden. Soms, zo ontdekten de Havelaars, worden ze ook nog wel voor speciale doeleinden gebruikt. „Een Katwijker visser gebruikte er een om de as van een overledene gedoseerd over de schuimige golven van de Noordzee uit te strooien.”