'Je kunt van mijn fado houden of je kunt hem haten'

Om haar fado mag je soms lachen. Het hoeft niet altijd zo treurig, vindt zangeres Dulce Pontes. Vanavond staat ze met een klein ensemble in het Concertgebouw.

„Door een bepaald idee van de fado hebben veel mensen in het buitenland het idee dat Portugal een enorm treurig land is. Maar dat is helemaal niet waar!”

Zangeres Dulce Pontes (43) zegt het schaterlachend, aan de telefoon vanuit Lissabon. Sinds Amália Rodrigues dit genre, in de jaren zestig al, op immer dramatische toon aan een wereldwijd publiek hielp, geldt fado als een soort blues, vol van een overweldigende weemoed die saudade genoemd wordt.

Maar niet voor Dulce Pontes. „Ik zie fado als een uiting van Portugese folklore. Er bestaan veel soorten fado, en overal in Portugal is de fado anders”, betoogt zij. „Die liedjes kunnen ook wel degelijk humoristisch zijn, bijvoorbeeld.” Deze opvatting heeft haar overigens al veel vijanden opgeleverd, die haar kwalijk nemen de fado, een in de negentiende eeuw ontstaan muziekgenre, te verkwanselen.

Maar Pontes geeft niks om de fado-puristen met hun zelfbedachte orthodoxie. „Je kunt van mijn fado houden of hem haten. Ik ben daar heel open over.”

Pontes is een late bekeerling wat de fado betreft. Zij was van oorsprong een popzangeres, die in 1991 voor Portugal de eer verdedigde bij het Eurovisiesongfestival. Al toen ze klein was, vertelt ze, schreef ze teksten en muziek. Sommige van die liedjes maken nog steeds deel uit van haar repertoire. „Soms denk ik wel eens: waarom ben ik eigenlijk niet liedjes blijven zingen zoals vroeger, met mijn broertje op de gitaar?”

Maar de werkelijkheid is een heel andere: Pontes heeft in de loop van haar carrière met symfonieorkesten en allerlei soorten ensembles op het podium gestaan. Ze ziet er ook niet tegenop om het muzikaal jargon van de fado te verbinden met allerlei andere elementen uit de wereldmuziek. Een van haar bekendste platen is een samenwerking met de Italiaanse filmmuziekcomponist Ennio Morricone.

Nu werkt ze aan twee albums tegelijk, vertelt ze: één met Portugese liederen die stukje bij beetje in Lissabon wordt opgenomen, en tegelijkertijd in Buenos Aires aan een project waarin de fado met de Argentijnse tango wordt verbonden. Het gaat langzaam, die opnamen. „Misschien zou ik fanatieker moeten zijn, maar ik denk vaak: eerst leven, daarna opnemen.”

„Ik hecht zeer aan mijn muzikale vrijheid”, zegt Pontes. „Waarom zou je Portugese volksmuziek niet kunnen verbinden met muziek uit Latijns-Amerika of Afrika? Tenslotte komt de fado daar voor een deel vandaan, via de zeelieden die in de negentiende eeuw de fado in Lissabon zijn begonnen.”

Fado kan ook politiek zijn – getuige bijvoorbeeld het werk van Zeca Afonso uit Coimbra, die zich in de vroege jaren zeventig ontwikkelde tot een belangrijke stem van verzet tegen de toenmalige dictatuur en net als Pontes een muzikale nieuwlichter was wiens opvatting van de fado door de zelfbenoemde behoeders van de muzikale orthodoxie met argwaan werd beluisterd. Pontes wil echter geen politieke zangeres zijn: „Ik houd me ver van politiek, al maak ik me natuurlijk in het huidige economische klimaat grote zorgen over de toekomst van mijn twee kinderen.”

Een van haar favoriete begeleidingsmusici is een Nederlander, de saxofonist en arrangeur Hubert-Jan Hubeek. Maar hij maakt geen deel uit van de kleine combo waarmee ze vanavond in het Amsterdamse Concertgebouw staat. „Een prachtige zaal”, vindt ze. „Een van de intiemste ter wereld, na het Palau de la Musica in Barcelona dan. Sorry voor het Carnegie.”

Dulce Pontes in het Concertgebouw. Woensdag 10/8, 20.15 u. Inl. concertgebouw.nl

    • Raymond van den Boogaard