Een andere kamer

Heerlijk, de rust van een Jacques Tati-achtig badplaatsje in de zomer. Je weet dat zo’n beeld anno 2011 niet erg realistisch is, maar het vlindert toch ergens door je hoofd als je die hotelkamer aan de kust reserveert. Het was weliswaar de Nederlandse kust, maar ook daar zijn nog wel degelijk rustige plekken.

Het dorpje lag er uiterst vredig bij toen we er arriveerden. Op straat liepen de Duitse gezinnen blijmoedig door de regen en de plaatselijke winkeliers verwelkomden ons als nieuwe vrienden. In het hotel heerste een gemoedelijke bedrijvigheid.

Onze kamer lag aan de voorkant, een rustige dorpsstraat waar geen autoverkeer was toegestaan. „We zullen slapen als ossen”, voorspelde ik mijn vrouw. Ze knikte tevreden. Een goed slapende echtgenoot kun je vergelijken met een gedoofde vulkaan.

We legden ons na middernacht te ruste. Deze uitdrukking móét ik gebruiken om de vredigheid van de situatie te beklemtonen. Tevoren hadden we nog in de lounge te midden van andere dommelende echtparen een drankje genomen „om goed op te kunnen slapen”. Buiten bleef de regen ruisen en krijste soms een meeuw – de onvergankelijke sounds of silence van een bedaarde Nederlandse badplaats.

Hoe laat zal het geweest zijn toen ik klaarwakker schrok? Uur of vier. Ik hoorde de schel schreeuwende stemmen van mensen die ruzie hadden. Ik schoof het gordijn opzij, maar er was in de slecht verlichte straat niets te zien. Ze moesten zich ergens voorbij het hotel bevinden, net buiten mijn gezichtsveld. Soms bleef het even stil, maar dan laaiden de stemmen weer op, fel en onverzoenlijk. Het bleef maar doorgaan.

Mijn vrouw was ook wakker geworden. „Ik doe mijn oordopjes in”, zei ze na een poosje. Zelf heb ik met oordopjes een slechte verstandhouding. Ik denk voortdurend aan ze als ik ze draag. Ook hoor ik steeds het kloppen van mijn bloed. Ten slotte voel ik me één grote oordop worden, schreeuwend om verlossing. Daarna weet ik heel zeker dat ik niet meer in slaap zal vallen.

Terwijl mijn vrouw als een kind – ja, die kunnen nog eens slapen – naast me lag te dromen, staarde ik naar het plafond. Buiten klonken nog steeds die stemmen, soms zingend, soms ruziënd, soms begeleid door het geluid van rennende voeten. Er zat één meisjesstem bij, hoog en bezwerend.

Na een uurtje stierven de stemmen weg, moe en uitgeschreeuwd. Enig veldonderzoek leerde me de volgende dag dat aan de overkant een disco was gevestigd. Die bleef de hele nacht geopend. Nou ja, je bent zelf ook jong geweest, dacht ik nog eerst, dus niet meteen zeuren, het zou na het weekend wel overgaan.

Na drie doorwaakte nachten meldde ik me toch bij de receptie van het hotel. Kenden ze het probleem? Jazeker, zei de receptionist eerlijk, ik zou daar zelf ook niet graag slapen. Het was al jaren gaande, niemand kon er wat aan doen. Wilde ik een andere kamer, aan de zijkant van het hotel? Geen probleem.

Ik dacht nog even aan de mensen die nu onze kamer kregen toegewezen, maar het leven is hard en het egoïsme groot. Bovendien heb je geen last van schuldgevoelens als je slaapt, en dát deed ik die nacht, als een uitgeputte os.

De daaropvolgende dagen heb ik hier en daar in het dorp ‘het probleem’ nog eens aangekaart. Het fascineerde me dat het onoplosbaar was. Waarom eigenlijk? Ik kreeg geen duidelijk antwoord. Een andere kamer – dat was de oplossing. Misschien wel een bij uitstek Nederlandse oplossing.

    • Frits Abrahams