Beleggers doodsbang voor S&P

Standard & Poor’s krijgt kritiek door de afwaardering van Amerika.

Dat is niet voor het eerst. Maar S&P zegt maar „een mening” te geven.

Standard & Poor’s manager Susan Barnes wilde één ding benadrukken toen ze op 23 april vorig jaar voor de Amerikaanse commissie moest verschijnen die de kredietcrisis onderzocht. Als S&P een waardering geeft voor een obligatie, bedrijf of een land is dat slechts „een mening”, zei Barnes. „We maken ons standpunt duidelijk.” Dat standpunt zegt niet of een investeerder moet kopen of verkopen, of de investering passend is en zeker niet of de prijs goed is. „We hebben altijd duidelijk gemaakt dat onze beoordeling niet alle factoren bekijkt die een investeerder moet overwegen als hij een beslissing neemt.”

Daar dachten investeerders heel anders over. Na het uitbreken van de kredietcrisis in 2007 sleepten ze kredietbeoordelaar S&P voor de rechter. Ze voelden zich besodemieterd. Ze hadden geld gestoken in hypotheekobligaties, waar S&P de AAA-status aan had geven, de hoogste waardering. Het bleek later rotzooi te zijn. Dat vond S&P later zelf ook. Toen kregen die ‘geweldige’ obligaties ineens het stempel ‘junk’, rommel.

Nu klinkt er opnieuw kritiek, ditmaal van politici in de VS na de afwaardering van het land, afgelopen vrijdag. De bankencommissie van de Senaat doet nu onderzoek naar het besluit van S&P. Vanuit beide kanten van het politieke spectrum wordt S&P nu aangevallen.

Tot nu toe heeft de kredietbeoordelaar zich met succes tegen kritiek verdedigd, vaak met een beroep op het eerste amendement van de Amerikaanse grondwet, waarin de vrijheid van meningsuiting verankerd is. De overheid mag geen wetten maken die die vrijheid inperken. De rapporten van S&P zouden daarom onder dezelfde bescherming moeten vallen als de commentaren van kranten. In Amerika zijn tien bureaus geregistreerd, maar er zijn eigenlijk maar drie bureaus wiens oordeel er toe doet: Moody’s, Fitch en Standard & Poor’s.

De historie van de laatste gaat terug tot 1860. Toen publiceerde Henry Varnum Poor het boek Historie van spoorwegen en kanalen in de Verenigde Staten, dat de financiële staat van de Amerikaanse spoorwegmaatschappijen analyseerde. Hij richtte H.V. and H.W. Poor Corporation op. Jaarlijks bracht hij een vernieuwde versie van zijn boek op de markt. Het Standard Statistics Bureau werd in 1906 opgericht door Luther Lee Blake, die financiële informatie over allerlei bedrijven publiceerde. In 1941 fuseerden de twee bedrijven tot het huidige Standard & Poor’s, dat in 1966 gekocht werd door McGraw-Hill Companies.

De macht van de kredietbeoordelaars groeide in de jaren 70 toen er in Amerika meer regels kwamen voor banken en instellingen hoeveel kapitaal ze moesten aanhouden tegenover de obligaties en aandelen die ze op hun balans hadden. Daardoor werd het belangrijk wat het risico van deze bezittingen waren. En dus moesten die bezittingen een waardering krijgen. Die waarderingen werden gegeven door de kredietbeoordelaars. Maar dat mocht alleen gedaan worden door bureaus die door de Amerikaanse beurstoezichthouder SEC erkend waren als een ‘Nationally Recognized Statistical Rating Organization’. De drie grote bureaus kregen als eerste deze erkenning en groeiden de jaren daarna uit tot de belangrijkste spelers. Samen hebben ze 98 procent van de markt in handen.

In de jaren 70 veranderden de bedrijven ook hun businessmodel. Eerst betaalden beleggers aan de kredietbeoordelaars voor informatie, toen gingen ondernemingen, banken en instellingen betalen voor een kredietwaardering. Juist door dat betalingsmodel kregen de bureaus na het uitbreken van de kredietcrisis in 2007 keiharde kritiek. Volgens critici zouden de bureaus bewust hoge ratings hebben gegeven aan hypotheekobligaties omdat ze dan meer verdienden.

Neem de hypotheekobligaties van de Washington Mutual Bank en dochterbedrijf Long Beach Mortgage Corporation. Van 2000 tot 2007 bundelden ze samen voor 77 miljard dollar aan hypotheken die ze doorverkochten aan investeerders. S&P gaf deze hypotheekobligaties de waardering AAA, wat betekende dat de kans kleiner dan 1 procent was dat beleggers hun geld niet zouden krijgen. S&P kreeg van elk pakket aan hypotheekobligaties een percentage van de verkoop. Hoe hoger de rating, hoe hoger de prijs, hoe groter de opbrengst voor S&P. In 2006 kwamen er 75 van die Long Beach-obligaties op de markt, allemaal met de AAA status. Allemaal kregen ze later het stempel junk van S&P, de allerlaagste waardering.

En sinds deze week ligt S&P dus weer onder vuur na het verlagen van de kredietwaardigheid van Amerika. Het gaat niet over verdiensten, want aan het beoordelen van landen verdient het bureau niets. Nee, volgens critici bedrijft S&P politiek. S&P zei dat het verlagen van Amerika mede was ingegeven door het afnemen van de politieke „stabiliteit en effectiviteit”. Daarmee helpt het bureau volgens Democraten de Republikeinen aan munitie om president Obama onder vuur te nemen. Robert Reich, oud minister van werkgelegenheid onder Clinton, schreef op zijn blog dat S&P het risico moet beoordelen of Amerika haar schulden kan afbetalen. „Hoe en met hoeveel we onze schuld terugdringen is hun zaak niet.”

De Republikeins ex-gouverneur Mitt Romney zei over de afwaardering dat dit het falende „economische leiderschap” van Obama bewees.

Maar S&P-directeur Carol Sirou herhaalde het in de Franse krant Libération nog maar eens. S&P geeft een mening, een advies, daar moet niet teveel waarde aan gehecht worden. „Iedereen lijkt net te ontdekken dat wij bestaan. Maar wij beoordelen al decennia landen en bedrijven.”