Ongerustheid

De tragedie in Noorwegen lijkt iets te hebben losgewoeld in het denken over Geert Wilders. Opeens zie je een zekere ongerustheid bovenkomen bij mensen die daar tot dusver weinig last van hadden. Was het wel verstandig het maatschappelijke klimaat te beïnvloeden met de bekende wildersiaanse taal? Dat werd de vraag.

Een opvallend voorbeeld was de rechtse conservatief Bart Jan Spruyt, die scherp afstand nam van Wilders’ „apocalyptische visioen”. Ik was verbaasd. Spruyt was in mijn herinnering zelf ook altijd goed geweest voor menig apocalyptisch tafereeltje in zijn bozige artikelen. Hij had Wilders, met wie hij vijf jaar geleden nog samenwerkte in de Groep Wilders, weliswaar al eerder gekritiseerd, maar nu schreef hij zelfs: „Het gedachtegoed van de PVV is dus indirect intellectueel medeverantwoordelijk voor mogelijke ontsporingen, zoals bij Breivik.”

Uit heel andere hoek kwam zaterdag in de Volkskrant een minstens zo opmerkelijke reactie. Hans Crombag, emeritus hoogleraar rechtspsychologie, beschrijft hoe hij altijd met enig schouderophalen de opinies van Wilders bezag. „De man is niet goed snik, dacht ik.” Het strafproces tegen hem vond hij „niet zo nodig”. „Discriminatie en haatzaaien zou je het kunnen noemen, maar ‘onzin’ leek mij de betere karakterisering.”

Maar Crombag vielen de schellen van de ogen toen hij onlangs citaten las uit het verkiezingsprogramma van de PVV. Over ‘grote schoonmaak van onze straten’ en ‘te vechten voor onze vrijheid’. Hij schrijft: „Nu ik er (zo beken ik) voor het eerst serieus over nadenk, begrijp ik hoe het Amsterdamse hof ertoe kon komen om Wilders te verdenken van haatzaaien. En ook dat de Amsterdamse rechtbank een gouden kans gemist heeft toen hij Wilders daarvan vrijsprak. Als die rechtbank kloten had gehad, had hij Wilders voor haatzaaien veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van enkele maanden en een proeftijd van enkele jaren.”

Dat zou, volgens Crombag, Wilders hebben gedwongen „het politieke debat op verdraaglijker toon te voeren”.

Crombags reactie is interessant omdat zijn houding tegenover Wilders tot aan ‘Noorwegen’ typerend was voor nogal wat intellectuelen die liever afzijdig bleven. Wilders? Maak je er niet te druk over. Gaat vanzelf wel over. Populisme zal er altijd zijn. En dus lieten ze het vullen van de opiniepagina’s maar over aan de verdedigers van Wilders.

Die verdedigers blijven terugvallen op de bekende mantra: Wilders spreekt tenminste klare, heldere taal, de mensen begrijpen hem, daar zouden andere politici een voorbeeld aan moeten nemen. Heldere taal? Het lijkt mij te veel lof voor de taal van de intimidatie, de belediging, de scheldpartij. Het is vooral simpele taal met een troebele boodschap.

De vraag is dan ook hoe lang Wilders nog kan wegkomen, zoals dat heet, met zulke taal. Hij doet nog steeds alsof zijn neus bloedt, maar kan hij dat blijven volhouden na ‘Noorwegen’?

Vanmorgen las ik in de krant dat zelfs de extreem-rechtse blogger ‘Fjordman’, door Breivik 111 maal instemmend geciteerd in zijn 1.500 pagina’s omvattende manifest, zich zorgen begint te maken. „Iedereen moet nadenken over zijn formuleringen, ik ook.”

Dat was precies wat Job Cohen bedoelde toen hij zei: „Voor alle politici – en dus ook voor Wilders – geldt dat je je heel goed moet realiseren dat woorden ertoe doen.”

Mocht hij natuurlijk niet zeggen van Wilders, het was „ranzig”.