Met prietpraat verdedig je het belang van kunst niet

De artistieke wereld legt in potsierlijke vaagtaal uit wat een kunstwerk goed maakt. Het is geen wonder dat dit kabinet wil bezuinigen op kunst, stelt Joost Swanborn.

De weinig eloquente wijze waarop de kunstsector zich tegen bezuinigingen verweert, wortelt in een traditie van in zichzelf gekeerd, vaag taalgebruik. Natuurlijk – het is lastiger om de waarde van abstracte objecten duidelijk te maken dan van ‘meer blauw op straat’ of ‘handen aan het bed’, maar de kunstwereld maakt het haar opponenten wel erg gemakkelijk. Ze lijkt geen duidelijke taal te wíllen spreken.

Neem de bijschriften, brochures en webteksten van musea en galeries. Waar je begrijpelijke informatie en enige objectiviteit verwacht, tref je in het beste geval een hermetisch soort proza en in het ergste geval opgeblazen nonsens, waarvan ook na noeste close reading geen chocola valt te maken.

De sector grossiert in clichés, open deuren, Grote Woorden en interessante adjectieven. Ideetjes heten ‘paradigma’s’, veranderingen ‘transformaties’ en smaakverandering is ‘esthetische modelwisseling’. ‘Beelden’ zijn ‘iconisch’ en hebben onveranderlijk ‘een sterke dynamiek’. Een allegaartje aan werken is ‘een veelheid aan uitingsvormen’. Plagiaat? Nee hoor: ‘Het oeuvre omvat ook toegeëigende werken’.

Dit idioom verheft nietszeggendheid tot norm. De kunstenaar is ‘geboeid’ en bij voorkeur ‘gepassioneerd’ door ‘spanningsvelden’ of ‘kwaliteiten’. Die ‘onderzoekt’ hij. Zijn werken zijn ‘vehikels’, met als belangrijkste eigenschap dat ze ‘reflecteren op’ of ‘refereren aan’ – aan ‘culturele waarden’, bijvoorbeeld. Ook ‘spelen’ zij met ‘verwachtingspatronen’ of ‘illusie en realiteit’.

Zij hangen of staan dan ook niet gewoon, nee – ze ‘verhouden zich tot de ruimte’, of ‘verwijzen’ naar iets daarbuiten, maar in het ideale geval ‘naar zichzelf’. Bovendien is het uiterst belangrijk dat er, al dan niet ‘systematisch’, wordt ‘bekritiseerd’, ‘ontregeld’ of ‘aan de kaak gesteld’ – ‘stereotypen en clichés’ bijvoorbeeld. De ‘voyeuristische verwachtingen van de kijker’ doen het ook altijd goed.

Dit resulteert in teksten van een nachtmerrieachtige abstractie. Wat moeten we ons voorstellen bij werken die zijn ‘bevrijd van hun vierkante vorm, een dialoog aangaan’?

Mag het een onsje minder? De terminologie suggereert diepgang en degelijkheid, maar is betekenisloos en gratuit. ‘Verwijzen’ en ‘ontregelen’ op zichzelf vormen evenmin een garantie voor kwaliteit als met veel aplomb beweren dat werken ‘urgent’ zijn.

Deze esoterische wartaal is niet alleen potsierlijk, de kunstsector wekt de indruk zich ermee te willen onttrekken aan kritiek. De taal lijkt eigenlijk een gebrek aan kwaliteit te verhullen.

Waar het gesubsidieerde kunst betreft, laadt de kunstwereld de verdenking op zich dat ze de subsidiegever zand in de ogen strooit. Een achterdochtige geest zou zelfs kunnen denken dat de partijen samen het bekritiseerde stelsel in stand willen houden met dit ondoordringbare jargon. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Het is geen wonder dat een meerderheid van de Nederlanders achter de bezuinigingen staat. Wie niet al het gevoel had naar de kleren van de keizer te kijken, krijgt het wel door deze holle prietpraat uit het humbug-lexicon.

Daarmee bewijst de branche zichzelf een slechte dienst. De kwaliteit van de tekst zegt niets over de kwaliteit van de kunst. Toom die pretenties dus wat in. Geef informatie in gewonemensentaal. Motiveer waarom iets goed is bedacht of knap is gemaakt – of zwijg. Een mens wil ook weleens gewoon een mooie expositie zien, met werk van goede kunstenaars, en maakt dan zelf wel uit of het gaat om ‘urgente werken die spelen met zijn verwachtingspatroon’.

Joost Swanborn is neerlandicus en oprichter van taaladviesbureau Taaldokter.nl.