Kunstwereld grossiert in holle prietpraat

Een ideetje heet ‘paradigma’ of ‘concept’. Kunstwerken zijn ‘vehikels’.

Door zulke taal krijgen mensen het gevoel te kijken naar de kleren van de keizer.

De weinig eloquente wijze waarop de kunstsector zich verweert tegen bezuinigingen wortelt in een traditie van in zichzelf gekeerd, vaag taalgebruik. Natuurlijk, het is lastiger de waarde van abstracte objecten duidelijk te maken, dan van meer ‘blauw op straat’ of ‘handen aan het bed’. Maar de kunstwereld maakt het haar opponenten wel erg gemakkelijk. Zij lijkt geen heldere taal te wíllen spreken.

Neem de bijschriften en brochures in musea en galeries. Waar je als bezoeker begrijpelijke informatie en enige mate van objectiviteit verwacht, tref je in het beste geval hermetisch proza aan, en in het ergste geval opgeblazen nonsens waar ook na noeste close reading geen chocola van valt te maken.

De sector grossiert in clichés, open deuren, Grote Woorden en interessante adjectieven. Ideetjes heten ‘paradigma’s’ of ‘concepten’, veranderingen ‘transformaties’, gebruiksvoorwerpen ‘archetypen’ en smaakverandering ‘esthetische modelwisselingen’. ‘Beelden’ zijn ‘iconisch’ en hebben onveranderlijk ‘een sterke dynamiek’. Een allegaartje aan werken is ‘een veelheid aan uitingsvormen’. Staan en hangen objecten kriskras door de zaal? Dan is er ‘een ongebruikelijke relatie met de tentoonstellingsruimte’.

In dit idioom is nietszeggendheid verheven tot norm. De kunstenaar is ‘geboeid’, ‘gefascineerd’ en bij voorkeur ‘gepassioneerd’ door ‘spanningsvelden’, ‘contrasten’ of ‘kwaliteiten’, die hij vervolgens ‘onderzoekt’. Werken die zo ontstaan zijn ‘vehikels’ met als belangrijkste eigenschap dat zij ‘reflecteren op’ of ‘refereren aan’. Bijvoorbeeld aan ‘symbolische associaties’, ‘culturele waarden’ en ‘verhaalstructuren’. Ook ‘spelen’ zij met ‘verwachtingspatronen’ of ‘illusie en realiteit’. Zij ‘stellen vragen’, ‘vertellen verhalen’ en ‘doen voorstellen’. Deze werken hangen of staan dan ook niet gewoon, nee: ze ‘verhouden zich tot de ruimte’, of ‘verwijzen’ naar iets daarbuiten – maar in het ideale geval ‘naar zichzelf’.

Daarnaast is het uiterst belangrijk dat ‘het traditionele museumdecorum wordt verstoord’, of dat er – al dan niet ‘systematisch’ – wordt ‘bekritiseerd’, ‘ontregeld’, ‘becommentarieerd’, ‘aan de kaak gesteld’ of ‘blootgelegd’. ‘Stereotiepen en clichés’ bijvoorbeeld, of ‘de overdaad en gulzigheid van de consumptiecultuur’. De ‘voyeuristische verwachtingen van de kijker’ doet het ook altijd goed.

Dit resulteert in teksten van een nachtmerrieachtige abstractie. Wat moeten we ons voorstellen bij werken die zijn ‘bevrijd van hun vierkante vorm’, ‘abstracte lijnen en geometrische vlakken’ die ‘een dialoog aangaan binnen de totaalvorm’, werken die ‘reflecteren op context, institutionele kadering, productie en receptie van kunst’, en kunstenaars die ‘de representatie van identiteit in de massamedia benaderen op zowel ethische, politieke, maatschappelijke, esthetische als epistemologische wijze’? Hoe serieus nemen we de kunstenares die parelkettingen bewerkt uit ‘diepe behoefte die zodanig aan te tasten dat andere eigenschappen dan de volmaaktheid ervan zichtbaar worden’?

Het terminologische spervuur suggereert diepgang en degelijkheid, maar is zo betekenisloos dat het volslagen gratuit wordt. ‘Verwijzen’ en ‘ontregelen’ op zichzelf vormen geen garantie voor kwaliteit. En het aplomb waarmee wordt vermeld dat werken ‘belangrijk’ zijn – of, nog raadselachtiger, ‘urgent’ – getuigt vooral van onvermogen tot zelfreflectie en een wereldvreemde arrogantie. Dat is niet alleen potsierlijk; met deze esoterische wartaal wekt de kunstsector de indruk zich te willen onttrekken aan kritiek en eigenlijk een gebrek aan kwaliteit te verhullen. En waar het gaat om gesubsidieerde kunst, laadt zij de verdenking op zich de subsidiegever zand in de ogen te strooien. Een achterdochtige geest zou zelfs kunnen denken dat de partijen samen het bekritiseerde stelsel in stand willen houden met dit ondoordringbare jargon; wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Geen wonder dat een meerderheid van de Nederlanders achter de bezuinigingen staat; wie niet al het gevoel had te kijken naar de kleren van de keizer, krijgt het wel door de holle prietpraat uit het humbuglexicon.

Daarmee bewijst de branche zichzelf een slechte dienst – want de kwaliteit van de tekst zegt niets over de kwaliteit van de kunst. Toom die pretenties dus wat in, geef informatie in gewonemensentaal, en motiveer waarom iets goed bedacht of knap gemaakt is. Of zwijg; een mens wil ook wel eens gewoon een mooie expositie met werk van goede kunstenaars.

Joost Swanborn is oprichter van taaladviesbureau Taaldokter.nl. Op zijn website staat een ‘Kunstbullshitdetector’.

    • Joost Swanborn