Hoe wij kijken

Ik was onder de indruk van de analyse door Dick Wittenberg op de voorpagina van de krant van 4 augustus. Hij inventariseerde veertien redenen om geen geld te geven voor noodhulp aan de Hoorn van Afrika. Stuk voor stuk waren het rationele argumenten, op sommige waarvan misschien wel wat valt af te dingen, maar die in grote lijnen onbetwistbaar waar zijn. Daarna kwam als toegift één enkel argument voor noodhulp. Dat kan in één woord worden samengevat: empathie. Daartegen waren al die schijnbaar zo overtuigende veertien argumenten niet bestand. Honderden mensen per dag sterven. Zonder hulp loopt dat aantal snel op. Aan al die goede redenen om niet te geven, kunnen de hongerenden niets doen.

Eigenlijk komt dat finale argument erop neer dat Wittenberg tegen ons zegt: bekijk het ook eens door de ogen van de slachtoffers van de hongersnood. Dat doet een beroep op ons vermogen om de wereld te beschouwen vanuit het gezichtspunt van andere mensen – in plaats van hen te zien als voorwerpen of zelfs vijanden – en zich om anderen te bekommeren in plaats van in stereotypen te denken. Zo’n omkering van de blikrichting is essentieel voor wat de politicoloog Siep Stuurman het idee van „de gemeenschappelijke menselijkheid” noemt, in zijn eminente boek De uitvinding van de mensheid uit 2009. Daarin beschrijft hij de geschiedenis van het denken over gelijkheid en cultuurverschillen in de diverse godsdiensten en wereldbeschouwingen sinds de Oudheid tot heden. Het in de westerse wereld bekendste voorbeeld van het vermogen om over de begrenzingen van de vertrouwde, eigen cultuur te kijken naar anderen – zowel mensen dichtbij als personen op grote afstand – is de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.

Stuurman zet deze aloude parabel uit het Nieuwe Testament in als paradigma van een spontane empathie die geen halt houdt bij een cultuurgrens: „Hij komt met zijn lastdier aanlopen en wat ziet hij? Niet een vreemdeling, maar een medemens in nood. Beslissend is niet wat er ‘is’ maar wat de Samaritaan ‘ziet’. De uitspraken ‘daar ligt een medemens’ en ‘daar ligt een vreemdeling’ zijn allebei correcte waarnemingen. De medemens heeft geen diepere realiteit dan de vreemdeling. Het zijn twee perspectieven op de menselijke verhoudingen die twee ‘waarheden’ vertegenwoordigen. Cultuurverschil heeft iets verraderlijks: het ene moment zie je het, het andere moment zie je het niet. Het is er en het is er niet.” Zo is het ook gesteld met de argumentatie over wel of geen noodhulp aan de hongerende mensen in de Hoorn van Afrika. De veertien redenen om niet te geven en de ene om wel te geven zijn een kwestie van perspectief. Het gaat erom hoe wij kijken.

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de bezwaren tegen noodhulp, hoe ‘waar’ de argumenten ook mogen zijn, worden gedragen door een racistische onderstroom in de samenleving. Daar is Wittenbergs finale argument van het mededogen het juiste antwoord op. Het racisme is diep geworteld in de emotie van mensen, het zegt ‘eigen volk eerst’, het gaat uit van de minderwaardigheid en weerzinwekkendheid van de onbekende ander. Filosofe Martha Nussbaum noemt dit „geprojecteerde walging” – het opdelen van de wereld in ‘zuiveren’ die superieur zijn en ‘onzuiveren’ die vies, boosaardig en besmettelijk zijn. Het is tegenwoordig not done om het begrip racisme te gebruiken. Antiracisten heten ‘multiculti’s’ – relicten uit de jaren zestig.

De jaren zestig stonden in het teken van racismebestrijding. Ze begonnen met het bloedbad in Sharpeville, dat leidde tot een wereldwijde veroordeling van de apartheid in Zuid-Afrika. Ze werden mede gevormd door de burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten, waar na de moord op Martin Luther King rassenrellen uitbraken. Ze waren doordrenkt van het besef dat de Holocaust is veroorzaakt door de ontkenning van de menselijke waardigheid en door de verbreiding, als gevolg van domheid en vooroordeel, van de doctrine van ongelijkheid van mensen en rassen. De neerslag van de jaren zestig was het Internationale Verdrag voor de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, op grond waarvan in Nederland racistische uitingen strafbaar zijn gesteld. Met het bestaan van ‘rassen’ heeft dit alles niets te maken. Het negentiende-eeuwse idee dat het begrip ‘ras’ verwijst naar een biologisch gegeven, is wetenschappelijk weerlegd. Rassen bestaan alleen als mythen in de hoofden van racisten. Ras bestaat niet. Racisme bestaat.

Een bekende columnist van The New York Times, Roger Cohen, had naar aanleiding van de massamoord in Noorwegen zijn woede geuit over „racistische islamofobie”. Hij kreeg daar een lawine boze reacties op. Moslims zijn geen ras, beet men hem toe. Nee, antwoordde Cohen, maar voerden de Einsatzgruppen van de SS deze semantische discussie toen zij de Joden, die ook geen ras zijn, vermoordden? „De haat tegen moslims in Europa en de VS is een groeiende politieke industrie, die smerig, gevaarlijk en racistisch is.”

Kun je racisme nog zo noemen? Dat hangt van je blikrichting af.

    • Elsbeth Etty