Elk week buigen voor buurman Paustovski

In Rusland worden dode schrijvers nog als helden vereerd. Is het niet door de overheid, dan wel door gewone stervelingen. Een van die schrijvers is Konstantin Paustovski (1892-1968), bekend door zijn memoires uit de tijd van de Russische revolutie en burgeroorlog.

Paustovski woonde in Moskou bij mij om de hoek. Wekelijks loop ik langs zijn huis en maak een buiging bij de gedenkplaat aan de gevel van de beroemde wolkenkrabber waar hij zijn appartement had. Ik neem me dan steevast voor een bloem op die plek te leggen, zoals ik dat jaarlijks bij het graf van Tsjechov doe.

’s Zomers verbleef Paustovski altijd in zijn datsja in het stadje Taroesa, aan de rivier de Oka, op zo’n 140 kilometer van Moskou. Ik wilde er altijd al heen. En toen de Nederlandse vertaler Hans Boland me vertelde dat hij de huidige bewoners wilde interviewen, ging ik met hem mee.

De blauw geschilderde Paustovski-datsja ligt aan de rand van het dorp, op de hoge rivieroever. Vanuit zijn werkkamer keek de schrijver uit over de Oka. Nu belemmeren hoge bomen dat uitzicht.

De stiefdochter van Paustovski, de filmscenariste Galina Arboesova, en haar man, de kinderboekenschrijver Vladimir Zjeleznikov, wachten ons op. Ondanks hun leeftijd - zij is zesenzeventig, hij vijfentachtig en bijna blind - sprankelen ze van levenslust. Ze brengen al veertig zomers door in de datsja en genieten er nog altijd.

„Ik ben hier liever dan in Moskou”, bekent Galina. „Moskou is lelijk geworden, met al die afgrijselijke nieuwbouw.”

Gevraagd of ze veel Paustovski-fans aan de deur krijgen, antwoordt Vladimir: „Twee keer per jaar, op de geboorte- en de sterfdag van Paustovski. De rest van de tijd laten we ze alleen in de tuin. De bezoekers zijn allen Russen.”

Galina heeft inmiddels de lunch bereid, met eigengemaakte yoghurt, vlees en brood. Aan tafel vertelt ze over alle beroemdheden uit Taroesa, zoals de dichteres Marina Tsvetajeva, die er voor de revolutie woonde, en de dissidente dichters en schrijvers Josif Brodski, Aleksandr Ginzboerg, Joeli Daniel en Nadezjda Mandelsjtam, die in de jaren zestig bij haar buren logeerden. „Dat laatste kwam ook doordat Taroesa buiten de zone van 101 kilometer van Moskou ligt, waar je niet mocht wonen als je officieel verbannen was”, zegt Vladimir. ,,Nadat Ginzboerg in de jaren zestig werd gearresteerd, moest onze buurman, de bejaarde literator Nikolaj Otten, zich dagelijks bij de KGB melden. Van Paustovski werd gezegd dat hij een anti-Sovjetnest bouwde.”

Als ik haar vraag waar het huis van de in 1997 overleden meesterpianist Svjastoslav Richter staat, fleurt Galina op. „Dat was zo’n mooie vent”, zegt ze. „Ik heb hem goed gekend. Hij trad een keer op in Polen en kocht daar een hele lading kussens, omdat daar in de Sovjet-Unie, zoals aan alles, gebrek aan was. Als hij depressief was lag hij de hele dag in zijn huis op die kussens.”

Vladimir en Galina zijn zelf allerminst somber. Terwijl ze daar in het verleden alle redenen toe hadden. Maar een ongekend optimisme en hun verwantschap met een door zijn populariteit onaantastbare schrijver heeft hen altijd gered van tegenslag onder het communistische regime.

In 1973 schreef Vladimir een nieuw scenario voor een jeugdfilm, Tsjoetsjelo (De vogelverschrikker), over het slonzige 13-jarige meisje Lenka dat in Taroesa bij haar grootvader komt wonen en daar allerlei verdorven leeftijdgenoten ontmoet.

Toen hij dat scenario bij de staatsfilmstudio inleverde, zeiden ze hem dat hij zich geen illusies hoefde te maken over de verfilming ervan, omdat de personages te negatief waren. De Sovjet-Unie wilde alleen positieve helden. Teleurgesteld maakte hij er toen een verhaal van, dat twee jaar later, dankzij een onderwijsvernieuwing, wel werd uitgegeven.

Het boek was een enorm succes. ,,De eerste druk was 600.000 exemplaren, de tweede druk een miljoen”, zegt Vladimir. „En nog komen er drie à vier keer per jaar herdrukken uit van vijfduizend exemplaren. Tsjoetsjelo is verplichte literatuur op school.”

Maar toen het boek acht jaar na de eerste druk verfilmd werd, gebeurde er iets onverwachts. „Viktor Grisjin, een lid van het Politburo, haatte me en liet de film meteen in beslag nemen”, vertelt hij. „Moeten zulke fascistische kinderen onze jeugd opvoeden? zei hij. Van het bestaan van het boek wist hij niets. De film is een jaar verboden geweest.” Hij kan nog altijd lachen om de absurdistische tegenstrijdigheden van het regime uit die dagen, die weliswaar veel onschuldige slachtoffers hebben geëist.

Dan leidt hij ons naar de werkkamer van zijn schoonvader, waar alles nog net zo is als op de dag waarop die stierf. Zijn boeken, een tekening van Tsjechov, foto’s van Boenin en Pasternak, een aan Paustovski opgedragen gedicht van Boelat Okoedzjava. Eindelijk staan we oog in oog met de geest van de grote schrijver en dat is precies waarvoor ik gekomen ben. Al staat die geest nu wel in de schaduw van Galina en Vladimir.

Michel Krielaars