Door geldwolven valt copyright moeilijk nog serieus te nemen

Ilja Leonard Pfeijffer waarschuwt voor een wereld zonder auteursrecht.

Hij moet accepteren dat enkele lezers niet betalen, dan verdient hij uiteindelijk meer.

Ilja Leonard Pfeijffer is bezorgd over de minachting voor het auteursrecht die de jeugd aan de dag legt. ‘Het idee dat downloaden diefstal is, komt bij veel jongeren niet op’, schrijft de auteur (Opinie, 4 augustus). Pfeijffer, die zegt afhankelijk te zijn van auteursrecht voor zijn levensonderhoud, zou bezorgd moeten zijn over vormen van auteursrecht die van iedere redelijkheid zijn gespeend.

Er zijn er natuurlijk genoeg jongeren (én volwassenen) die er nooit over hebben nagedacht en vrolijk downloaden ‘uit illegale bron’ omdat ze niet weten wat copyright is. (In de meeste landen is het downloaden zelf niet illegaal.) Maar als je wél nadenkt over auteursrecht kun je makkelijk veranderen in een sympathisant van de copyright-bestrijders rond de downloadsite The Pirate Bay en de Zweedse Piratenpartij.

De bedoeling van het auteursrecht is: succesvolle creatieve personen in staat te stellen te leven van hun werk en controle te houden over de verspreiding daarvan. Daar kan niemand tegen zijn. Zo worden auteurs beloond en kunnen ze blijven creëren. De samenleving profiteert daarvan.

Maar het auteursrecht is ontspoord. Om de haverklap wordt de werking verlengd op een manier die met beloning van de makers niets uitstaande heeft. Zo werd in 1998 in Amerika een wet aangenomen die het auteursrecht voor personen verlengde tot 70 jaar na overlijden en voor bedrijven tot 95 jaar na publicatie. Deze wet wordt de Mickey Mouse Protection Act genoemd omdat hij het resultaat was van een lobby van Disney. In 2003 dreigden de rechten op de eerste Mickey Mouse-films te verlopen.

Auteursrecht dat doorloopt na de dood van de auteur deugt niet. Wat heeft dat met redelijke beloning te maken, of met stimuleren van creativiteit? Het is een van de vele uitwassen waardoor copyright moeilijk meer serieus valt te nemen.

Kabelrecht is mijn favoriete voorbeeld. Ooit hadden we radio en tv door de ether; auteurs werden netjes betaald door de omroepen. Sinds dik 30 jaar kennen we de kabel. Deze heeft aan een steeds groter deel van de bevolking de uitzendingen doorgegeven. Kabel verving uitzendingen door de lucht – de laatste zijn onlangs zelfs beëindigd. Toch wisten rechthebbenden de kabel te laten aanmerken als ‘nieuwe openbaarmaking’, waarvoor apart rechten moesten worden betaald aan makers die al betaald waren. Zelf krijg ik op grond hiervan jaarlijks een leuk extra zakcentje (‘gratis geld’ noemen we dat thuis) maar het is een bezopen regeling. Naburige rechten, ook zoiets. Een caféhouder die de radio aanzet moet dokken, terwijl de zender ook al betaalt.

Ook in rechtszaken doen rechthebbenden hun best uit de verf te komen als geldwolven zonder gevoel voor proportie. Tegen downloaddienst Limewire eiste de Amerikaanse muziekindustrie dit voorjaar een schadevergoeding van 75 biljoen dollar, meer dan het jaarlijkse bruto product van de hele wereld. In 2007 probeerde de Britse Performing Rights Society garagebedrijf Kwik-Fit te dwingen tot betaling van rechten omdat de radio waar de monteurs naar luisterden gehoord kon worden door de klanten.

Wil het copyright begrepen en als redelijk ervaren worden, dan zal het sterk moeten worden vereenvoudigd, bijvoorbeeld met een veel kortere werkingsduur en minder gekunstelde afgeleide rechten. Of dat een generatie die er inmiddels lak aan heeft nog kan bekeren, is de vraag. Maar als Pfeijffer zich afvraagt wie straks zijn boeken nog koopt, is er toch goed nieuws. Want niemand koopt boeken op grond van verheven gedachten over auteursrecht. Je koopt een boek omdat je het wilt hebben. Verschillende succesvolle auteurs, zoals Neil Gaiman en Cory Doctorow, stimuleren het gratis downloaden van hun werk omdat het de verkoop van papieren boeken blijkt te bevorderen. Amerikaanse uitgevers hebben onlangs gemerkt dat recente boeken beter verkopen als oud werk van dezelfde auteurs op internet wordt weggegeven. Dat is óók ‘gratis geld’. De essentiële stap is een psychologische: je moet accepteren dat een aantal consumenten je werk gratis gebruikt, dan kun je meer verdienen. De ouderwetse contentindustrie is juist gebrand op het uitroeien van gratis gebruikvormen.

Wat op termijn zeker niet zal werken, is het verkopen van digitale werken die zijn beveiligd met antikopieertechnieken, of bestanden die gebonden zijn aan een bepaald apparaat, zoals Amazon doet met de digitale boekenlezer Kindle. De muziekindustrie heeft na talloze flaters deze lessen eindelijk geleerd en verkoopt met succes makkelijk kopieerbare mp3-bestanden. De boekenwereld maakt vrolijk de oude fouten.

Herbert Blankesteijn is medewerker van NRC Handelsblad en nrc.next

    • Herbert Blankesteijn