De pensioenthermometer heeft ook een slechte zomer

De paniekstemming op de beurs doet het vermogen van pensioenfondsen geen goed. Wat telt is het rendement op lange termijn, maar de koepel van de fondsen maakt zich zorgen over de rentedaling.

Pensioenfondsen

Ook voor de pensioenthermometer is het geen goede zomer. De dekkingsgraad van het gemiddelde Nederlandse pensioenfonds zakte vanochtend naar 100 procent, ónder de verplichte dekkingsgraad van 105 procent. Begin juli, voor de schuldencrisis de beurzen op stang jaagde, was deze dekkingsgraad nog 110 procent.

„Het is een behoorlijke daling”, zegt Raymond de Kuiper, hoofd risico- en beleggingsbeheer bij adviesbureau Aon Hewitt dat de pensioenthermometer bijhoudt. „Maar we willen niemand zenuwachtig maken. Wat telt, is de verhouding tussen de beleggingen en de verplichtingen van een pensioenfonds op langere termijn.”

Een aantal pensioenfondsen heeft zich de afgelopen tijd bij De Nederlandsche Bank (DNB) gemeld, omdat ze onder de verplichte dekkingsgraad van 105 procent zijn gekomen, zo werd vrijdag bekend. Ze staan van twee kanten onder druk. Door de paniek op de internationale beurzen daalt hun belegd vermogen. Tegelijkertijd daalt de lange rente (de zogeheten swaprente) waarmee de pensioenfondsen hun verplichtingen berekenen. Anders gezegd: ze moeten nu boekhoudkundig meer vermogen reserveren om in de toekomst pensioenen uit te kunnen betalen.

Om hoeveel en om welke fondsen het gaat, is niet bekend. De vier grote pensioenfondsen (ambtenarenfonds ABP, pensioenfonds Zorg en Welzijn en de twee metaalfondsen PME en PMT) zeggen niet in de problemen te zijn – al waren de dekkingsgraden van PME en PMT eind juli gezakt tot respectievelijk 95 en 97,3 procent. De twee fondsen zeggen nog binnen de marges van hun herstelplan te werken. Na de kredietcrisis hebben 340 van de circa 550 fondsen in 2009 een dergelijk herstelplan moeten opstellen van DNB. Als deze fondsen aan het eind van dit jaar nog onder de wettelijke dekkingsgraad van 105 procent zitten, kan de toezichthouder besluiten tot ingrijpen.

Pensioenfondsen beleggen hun vermogen in zowel aandelen als obligaties, vastgoed en andere beleggingsproducten. Er is niet één recept voor een dalende dekkingsraad, zegt De Kuiper. „Wij gaan niet roepen: koop Italië, koop goud. Ieder fonds heeft een eigen beleggingsmix met eigen risico’s. Pensioenfondsen zouden altijd moeten weten welke risico’s ze lopen en welk budget ze voor risico’s hebben ingeruimd. Ze zouden bij wijze van spreken op de achterkant van een bierviltje moeten kunnen uitrekenen wat de impact op hun dekkingsraad is.”

De Pensioenfederatie, de koepel van de fondsen, maakt zich meer zorgen over de dalende rente dan over de aandelenbeurzen. Zo daalde de swaprente voor dertig jaar sinds april van 4 procent naar 3,25 procent. Een dergelijke daling van 0,75 procentpunt leidt theoretisch tot een daling van de dekkingsgraad met circa 10 punten, rekent de federatie voor op haar website.

„Als je ziet dat centrale banken de rente kunstmatig laag houden, en als je ziet hoe de rente fluctueert, dan kun je daar eigenlijk niet mee werken als pensioenfonds”, zegt woordvoerder Gert Kloosterboer.

Maar een alternatief voor de rekenrente heeft ook de Pensioenfederatie niet. „Er is een probleem, maar nog geen oplossing.”

Op basis van een evaluatie maakte DNB afgelopen mei bekend dat vijf fondsen volgend jaar moeten korten op de pensioenen, het zogeheten ‘afstempelen’. „Ieder fonds moet dat voor zichzelf bepalen”, zegt Kloosterboer. „Op de korte termijn is het niet aan de orde, verwacht ik. Als is het maar omdat De Nederlandsche Bank pas eind dit jaar opnieuw kijkt hoe de fondsen ervoor staan. Maar de kans dat de pensioenen worden aangepast aan de loon- en prijsontwikkeling, de indexatie, wordt er natuurlijk niet groter op.”