Daar is ie, in een shirt van 15 dollar

Eén keer per jaar komt de boksgeschiedenis tot leven in het stadje Canastota.

Met bezoekers als Tyson, die 25 jaar geleden de jongste wereldkampioen ooit werd.

Een golf van opwinding trekt door het publiek. Mike Tyson! Iron Mike is in da house. Het is vrijdag aan het eind van de middag en het lange feestweekend van de International Hall of Fame is nog maar net begonnen. In de veronderstelling dat het dagprogramma al was afgelopen zijn veel bezoekers vertrokken, anderen stonden op het punt weg te gaan. Maar als een magneet lokt de 45-jarige oud-bokser weer toeschouwers naar het podium. Het is die ene keer in het jaar, altijd in juni, dat het boksmuseum in Canastota, New York, tot leven komt.

Tyson, ooit een van de rijkste sportmensen ter wereld, draagt een T-shirt van 15 dollar. Van Cus d’Amato’s Gym in Catskill, de plek ten noorden van New York waar hij als tiener onder de vleugels van bokstrainer d’Amato in de jaren tachtig uitgroeide tot de jongste wereldkampioen in het zwaargewicht en ‘the baddest man on the planet’.

Vandaag is hij naar het in 1989 opgerichte boksmuseum gekomen om een gipsafdruk te laten maken van zijn machtige rechtervuist – de hand waarmee hij 25 jaar geleden geschiedenis schreef, als jongste wereldkampioen in het zwaargewicht. De vuist van gips krijgt hier een plaats in een vitrine van het boksmuseum, tussen vuisten van andere kampioenen, zoals de Italiaanse reus Primo Carnera; vergeleken bij de rechtervuist van de wereldkampioen zwaargewicht uit de jaren dertig zijn die van andere boksers kinderknuistjes.

Tyson is een van de zes leden uit de internationale boksgemeenschap die dit jaar in de International Hall of Fame worden opgenomen. De anderen zijn een Amerikaanse oud-scheidsrechter, een Mexicaanse oud-trainer, twee oud-boksers (een Mexicaan en een Australische Rus) en een filmster, Sylvester Stallone.

Bij afslag 34 van de snelweg tussen Syracuse en Albany, in upstate New York, net voorbij de tolpoort, liggen twee gebouwtjes die samen de International Boxing Hall of Fame vormen. Het hoofdgebouw is het oorspronkelijke museum, een knus houten optrekje uit 1989, daarnaast een loods die je eerder op een industrieterrein verwacht. Maar die wel onderdak biedt aan een stuk heilige grond (5,6 bij 5,6 meter) uit de boksgeschiedenis: de boksring die van 1925 tot en met 2007 in Madison Square Garden stond. ‘The Garden’ in Manhattan, New York, daar werden historische wedstrijden gebokst, zoals de eerste van drie duels Ali-Frazier, in 1971.

Bij de ring hangt een tv-scherm waarop oude beelden worden vertoond. Een vader probeert zijn dochter van een jaar of tien duidelijk te maken wat er zo bijzonder was aan het gevecht tussen Muhammad Ali en Joe Frazier, destijds bestempeld als het Gevecht van de Eeuw. Het meisje zegt dat ze hier zo veel mogelijk handtekeningen wil scoren. Kampioenen zijn er dit weekend genoeg, allemaal hoofdrolspelers uit de boksgeschiedenis. Jake LaMotta bijvoorbeeld, inmiddels negentig jaar oud. Veroverde de wereldtitel in het middengewicht in 1949 en werd drie decennia geleden door Robert De Niro onsterfelijk gemaakt in de film Raging Bull. Dankzij Hollywood werden twee andere gasten in Canastota tot ver buiten de bokswereld bekend: wereldkampioen Micky Ward en zijn broer, trainer en ex-crackverslaafde Dicky Eklund. Hun avonturen vormden de inspiratie voor de speelfilm The Fighter, het recente kassucces met Mark Wahlberg en Christian Bale.

Bokspromotor Don King (79) zit op zondagmiddag, tijdens de ceremonie waarbij de zes laureaten in de Hall of Fame wordt opgenomen, met een handvol vlaggetjes op het podium met vips. Als Tyson naar voren mag komen om een gouden ring in ontvangst te nemen en een speech af te steken, zwaait King met een Amerikaans vlaggetje. Bij het eerbetoon aan Julio Cesar Chavez, een oud-bokser die in zijn vaderland Mexico als een halfgod wordt beschouwd, steekt hij het Mexicaanse vlaggetje omhoog. De 48-jarige Chavez, wereldkampioen in verschillende gewichtsklassen, vocht in 1993 in het Aztekenstadion in Mexico-Stad voor 132.247 toeschouwers. Nooit woonden zo veel mensen een bokswedstrijd bij.

Zulke wetenswaardigheden behoren tot de parate kennis van een boksjournalist van de oude stempel die een vertrouwde verschijning is op het jaarlijkse feestje van de Hall of Fame, Bert Sugar. Behalve een autoriteit op het gebied van boksen en honkbal is hij een bijzondere verschijning: vilten hoed, dikke sigaar (eigen merk), gekke blauwe broek met sterretjes en geen sokken in z’n instappers. New Yorkse branie, koning van de wisecracks. Tijdens een van de sessies op het podium discussieert Sugar met een oud-bokser (de Canadees George Chuvalo), een boksbestuurder (de Maleisiër Jose Suleiman, baas van de World Boxing Council, WBC) en een oud-trainer (Lou Duva). Knauwend op zijn sigaar onthult Sugar dat de 89-jarige Lou Duva, die zich in een rolstoel voortbeweegt, viagra gebruikt. „Niet om de voor de hand liggende reden, maar om te voorkomen dat-ie op z’n schoenen piest.”

Voor de bevolking van het 4.400 inwoners tellende stadje Canastota is de Parade of Champions het hoogtepunt. In cabriolets worden de kampioenen naar de Hall of Fame gereden, door Main Street. Toegezwaaid door enkele duizenden mensen langs beide kanten van de straat, en voorafgegaan door een marching band die deze keer toepasselijk de filmmuziek van Rocky speelt. Een paar uur na die kampioenenparade steekt Sylvester Stallone in zijn bedankspeech achter het spreekgestoelte bij de Hall of Fame zijn armen omhoog, met gebalde vuisten, zoals hij dat in 1976 in de ring deed als Rocky Balboa, in zijn eerste en beste van zes Rocky-films. De 64-jarige Stallone is 35 jaar later officieel opgenomen in de boksfamilie. „Yo Adrian. I did it!”

    • Ward op den Brouw