We zeggen wel foute man, maar niet foute vrouw

Interessante vraag van een lezeres: je zegt wel foute mannen, maar niet foute vrouwen; waarom is dat zo? En sinds wanneer kennen wij de uitdrukking foute man?

Aan deze vragen gaat nog een andere vooraf, namelijk, wat verstaan wij precies onder een foute man? Dit leidt tot een kleine verrassing, want hoewel de foute man alom bekend is, blijkt geen van de standaardwoordenboeken deze uitdrukking te kennen. In Van Dale, Koenen, Prisma en Verschueren vinden we van alles over de kleine man, de sterke man, de man van zijn woord en de komende en gaande man, maar ze zwijgen collectief over de foute man.

Terwijl iedereen wel zo’n man kent – collega, oom, winkelier om de hoek – dan wel een vrouw die telkens weer op foute mannen valt.

Dus, tja, wat verstaan wij onder een foute man? Enkele antwoorden van vrouwen in mijn omgeving: „Een man die te dicht bij je komt staan en je dan te snel aanraakt, of net te lang.” „Een man die je, hoewel je hem voor het eerst spreekt, ongepast snel in vertrouwen neemt over zijn ongelukkige huwelijk.” „Een man die heimelijk naar je knipoogt, brrr, dat is écht fout.”

Onderliggende boodschap bij dit alles: seks. De foute man stuurt er te snel en op een onsubtiele manier op aan, verbaal en non-verbaal. Bovendien is hij niet kieskeurig: als jij niet op zijn ongepolijste avances ingaat, dan probeert hij het – desnoods waar je bij staat – bij een volgende vrouw. Het zou interessant zijn om te onderzoeken waarin de foute man zich nu precies onderscheidt van de overspelige man, want die heeft een veel genuanceerder imago, en van de ‘gewone’ man (ook snel bereid tot seks), maar dat gaat voor hier te ver.

Interessant is nog dat de foute man een bepaalde houdbaarheidsdatum heeft: afhankelijk van hun fysieke conditie heb je ze tot boven de zestig, maar op een bepaald moment krijgen ze een ander etiket opgeplakt, bijvoorbeeld ongelooflijke charmeur of – nog ouder – ouwe snoeper(d).

Sommige mannen blijken trouwens iets anders onder foute man te verstaan: gladjanus, onbetrouwbaar, praatjesmaker. Zelf ken ik het alleen in de vrouwenbetekenis, kortweg: onbetrouwbaar, slecht relatiemateriaal.

Sinds wanneer kennen wij de uitdrukking foute man? Zeker sinds het begin van de jaren zeventig. We vinden foute man soms ook voor ‘man die fout was tijdens de oorlog’, maar vanaf de jaren tachtig komen we de uitdrukking vrijwel alleen in de bovengenoemde vrouwenbetekenis tegen.

Wordt de uitdrukking foute vrouw inderdaad niet gebruikt? Je vindt haar sporadisch, bijvoorbeeld in een gedichtje van Frits Criens: „Ik heb een waar talent voor foute vrouwen:/ Al vijf keer wist ik er zo een te trouwen.”

Ook Theo van Gogh heeft de uitdrukking weleens gebruikt, maar foute man is duidelijk veel gangbaarder.

Bestaan er dan geen vrouwen die gedrag vertonen dat vergelijkbaar is met dat van de foute man? Natuurlijk wel, maar hier stuiten we op een oud onrecht: een promiscue man is in de ogen van andere mannen een bink, een promiscue vrouw is in de ogen van zowel mannen als vrouwen een slet of sloerie.

De jongste uitvoering van de foute man heet trouwens player, een woord dat veel wordt gebruikt op middelbare scholen, samen met mooiboy (spreek uit: moiboi). Meisjes worden ook weleens players genoemd, maar minder vaak.

Wat je bijna nooit meer hoort is playboy, een woord dat in de jaren zeventig nog gangbaar was. Bij playboy denken we nu in de eerste plaats aan een tijdschrift, niet aan een elegant geklede, knappe, financieel onafhankelijke jeugdige versierder, die veel kans maakt om uit te groeien tot foute man.

    • Ewoud Sanders