Van het cijfer één tot oneindigheid

De Pools-Franse kunstenaar Roman Opalka schilderde bijna obsessief getallen. Aan het einde van zijn leven had hij bijna het getal zes miljoen bereikt.

„Het probleem is dat we bestaan, en over een tijd niet meer bestaan.” Zo lichtte de Pools-Franse kunstenaar Roman Opalka zijn levenswerk toe dat hij was begonnen in het jaar 1965. Voor dat levenswerk telde hij; vanaf het cijfer één tot ergens in de toekomst. De getallen schilderde hij op doek, van linksboven naar rechtsonder, in keurige horizontale lijnen, alsof hij eerder een saaie boekhouder dan een kunstenaar was. Elk nieuw schilderij in deze reeks noemde hij een ‘detail’, en hij ging op een volgend doek verder waar hij op het vorige was opgehouden.

Tot aan zijn dood werkte hij 46 jaar lang aan dit levenswerk. Roman Opalka overleed zaterdag tijdens een vakantie in Italië, kort voor zijn tachtigste verjaardag. Die zou worden gevierd met verschillende jubileumtentoonstellingen.

Opalka’s leven begon op 27 augustus 1931, in Frankrijk. Daar werd hij geboren uit Poolse ouders. Het gezin verhuisde later terug naar Polen, werd tijdens de Tweede Wereldoorlog gedeporteerd naar Duitsland en vestigde zich na de bevrijding weer in Frankrijk.

Roman besloot kunstenaar te worden. Hij vestigde zich in het Poolse Warschau. Daar doorliep hij in de jaren vijftig de kunstacademie, waarna hij zich als schilder ontworstelde aan de figuratieve schildertradities. Toen al bleek zijn vermogen om zich vast te bijten in een onderwerp: in 1959 startte hij een reeks witte schilderijen waaraan hij maar liefst vier jaar werkte. In 1965 bekeerde hij zich tot zijn magnum opus: OPALKA 1965/1 – , oftewel van één tot oneindigheid.

Zo sereen als Opalka’s werk was, zo veel meer tumultueus was zijn leven. Eeuwig schipperde hij tussen Polen en Frankrijk, met intermezzo’s in Berlijn en New York. In de jaren zestig stond hij in contact met kunstbewegingen in Polen en daarbuiten. Zijn werk viel op. Hij kreeg Poolse en internationale prijzen en exposeerde op biënnales en in grote musea. Hoewel hij zijn serie als één kunstwerk zag, waren de ‘details’ die hij schilderde wel los te koop.

Zijn werk is opgenomen in het Centre Pompidou in Parijs en in het MoMA in New York. In Nederland is het werk vertegenwoordigd in onder meer Museum Boijmans Van Beuningen, het Stedelijk Museum in Amsterdam en de Caldic Collectie.

Opalka was een kind van zijn tijd. Zijn werk is verwant aan dat van On Kawara, die - iets later begonnen dat Opalka - net zo obsessief dagelijks de datum van die dag ging schilderen – ook voor de rest van zijn leven. Indertijd vonden velen dat kunst belangrijker was dan de persoonlijke schoonheidsbeleving van een kunstenaar. Tijd, Opalka’s thema, ontsteeg zoiets als persoonsgebonden smaak en ook het formaat van zijn doeken had daar niets mee te maken: ze waren zo gekozen dat ze nog net door de deur van zijn atelier pasten.

In 1977 verhuisde hij naar Frankrijk, maar op zijn werk was die verandering niet van invloed. Sinds 1970 maakte hij enkel nog cijferschilderijen. Daarbij was hij begonnen om de cijfers in te spreken op een bandrecorder, in het Pools, en aan het eind van de dag fotografeerde hij zichzelf voor het nieuwste werk.

Die al even expressieloze zelfportretten werden een parallelle serie. De enige verandering die optrad in de serie ontstond doordat hij een keer besloot om langzaamaan de witte achtergrond telkens een toefje donkerder te maken, en de zwarte letterverf telkens iets lichter. Had hij eeuwig geleefd, dan zou hij hierdoor uiteindelijk bij bijna acht miljoen tellen weer wit op wit hebben geschilderd: een soort dood van de serie.

Maar Opalka’s werk ging er natuurlijk juist over dat niemand het eeuwige leven heeft. Toen hij afgelopen zondag stierf, was hij tot bijna zes miljoen gekomen. Het laatste cijfer dat hij schilderde was een acht.

    • Sandra Smets