Schrijf je in de eerste of in de derde persoon?

Het is een vraag die beginnende of aspirant-schrijvers eindeloos kan bezighouden. Ik ken er die hun hele roman wel tien keer hebben herschreven, van de eerste naar de derde persoon en andersom, en het blijft niks. Ik geloof niet dat een ervaren schrijver ooit met dat probleem worstelt.

Dat komt omdat het eigenlijk de verkeerde vraag is. Of op zijn best is het een vraag die samenhangt met een veel belangrijkere vraag en dat is de vraag naar het vertelperspectief. Wie is de verteller? En waarom vertelt hij of zij het verhaal? En wat weet hij eigenlijk over het verhaal dat hij met ons meent te moeten delen? En hoe kan het dat hij die dingen weet? Kunnen we hem eigenlijk wel geloven?

De klassieke auctoriële verteller – de verhalenverteller die zich buiten het verhaal bevindt en in de derde persoon uiteenzet wat zijn personages allemaal is overkomen terwijl hij in al hun hoofden kan kijken en precies weet wat ze allemaal denken – komt vandaag de dag nogal ouderwets over. Vertellers zijn bijna altijd intern, in de zin dat ze zelf ook partij zijn, deelnemen aan het verhaal en zo hun eigen belangen hebben. Dat is ook veel interessanter dan wanneer opa vertelt vanuit zijn leunstoel.

Beginnende schrijvers zien over het algemeen maar twee mogelijkheden. Ofwel ze schrijven over wat ze zelf hebben meegemaakt en kiezen automatisch voor de eerste persoon, ofwel ze schrijven over wat ze zelf hebben meegemaakt maar verzinnen een fictieve naam voor zichzelf en vertellen het vanuit de derde persoon omdat het zo minder op een dagboek lijkt en meer op een echt boek.

In werkelijkheid zijn de mogelijkheden legio. Ik zal volstaan met één bijzonder overtuigend voorbeeld. Toen Thomas Mann als reactie op de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog besloot een roman te schrijven over de door en door Duitse mythe van Faust – de geniale en ambitieuze geleerde die zijn ziel verkocht aan de duivel – en besloot hem op te voeren als de geniale en ambitieuze componist Leverkühn, dacht hij toen na over de vraag of hij dat verhaal in de eerste of derde persoon moest vertellen? Hij dacht veel beter na. Hij vertelt het hele verhaal vanuit het perspectief van de boezemvriend van Leverkühn, de onsympathieke en pedante classicus Serenus Zeitblom, die de noodzaak voelt om het bijzondere verhaal van zijn vriend op schrift te stellen zonder dat hij, anders dan de lezer, meer dan vijfhonderd pagina’s lang enig benul heeft van wat er gebeurt. Dat is bijvoorbeeld ook een mogelijkheid. Ik geef maar een voorbeeld.

Maar om toch antwoord te geven op de vraag: de vuistregel is dat je onsympathieke personages het woord laat voeren in de ikvorm terwijl er over helden en heldinnen alleen afstandelijk wordt gepraat in de derde persoon. Misschien is het daarom dat ik bijna altijd schrijf in de eerste persoon.

Ilja Leonard Pfeijffer

    • Ilja Leonard Pfeijffer