Leken denken snel dat dader gek is

Anders Breivik is snel afgedaan als een eenzame en een verknipte gek. Dat is een staaltje lekenpsychologie, betoogt Harald Merckelbach. Je kunt zijn daden beter zien als een uitwas van onze wij/zij-cultuur. Die is al vaak destructief gebleken.

Een jonge boer was in de nazomer van 1982 aan het werken op zijn land, vlak bij Maastricht. Plotseling dook een patiënt op van een naburige psychiatrische instelling. Met een jachtgeweer schoot hij de boer pardoes dood. De patiënt was ontevreden over zijn therapeut en had eigenlijk hem een lesje willen leren. De therapeut was evenwel met vakantie. Gefrustreerd liep de patiënt het veld in. Daar zag hij de boer. Te begrijpen valt zijn daad nauwelijks. Dat heeft er alles mee te maken dat de dader flink in de war was.

Was ook Anders Breivik, de man die eerst een bom tot ontploffing bracht in het centrum van Oslo en daarna op het eiland Utøya tientallen mensen neerschoot, in de war? Twee mensen lieten tamelijk snel weten dat we het inderdaad zo moeten zien. De ene was zijn advocaat. De andere was Geert Wilders. In een persbericht legde hij uit dat Breivik een „eenzame, verknipte idioot” is.

Het idee van Breivik als een turboversie van de patiënt die de boer doodschoot, sluit prima aan bij hoe leken denken over het Noorse drama. Volgens de lekenpsychologie hoort bij een waanzinnig delict een waanzinnige dader. In interviews met mensen uit het netwerk van Breivik springen opmerkingen over diens eigenaardigheden in het oog. Terugblikkend merken geïnterviewden op dat Breivik inderdaad een rare kwibus was. Hij ging elke morgen naar de sportschool. Als kind werd hij gepest.

Hoe langer de interviews zijn, hoe vaker intimi in tweede instantie dingen noemen die niet te rijmen zijn met het idee van Breivik als eenzame idioot. Breivik, zeggen ze, was redelijk intelligent, charmant, hulpvaardig en gedisciplineerd. Hij had geregeld contact met zijn stiefmoeder.

De psychiatrie van de waanzinnige daad heeft geen al te beste papieren. Psychiaters hebben allerlei dingen geroepen over de mentale afwijkingen waaronder de nazitop gebukt zou gaan. Bij nader onderzoek bleek het reuze mee te vallen. Dat was ook wat filosofe Hannah Arendt concludeerde toen ze het proces tegen Adolf Eichmann in Jeruzalem bijwoonde. Eichmann, aldus Arendt, was een keurige kleinburger. Het inspireerde haar tot de typering van de „banaliteit van het kwaad”.

Breivik lijkt in menig opzicht op Hermann Göring. Ook Göring had een voorliefde voor dure horloges. Hij was ijdel. Hij ontwierp zijn eigen ridderordes en kostuums. Hij strooide kwistig met namen van grote filosofen. Hij zag zichzelf als een ridder – en vooral wilde hij geschiedenis schrijven. Zelfs nadat Duitsland was gecapituleerd, dacht hij dat binnen luttele decennia in elk Duits huishouden een afbeelding van Hermann Göring te vinden zou zijn. Was Göring een verknipte idioot? Helemaal niet, constateerde een Amerikaanse journalist die lange gesprekken met hem voerde en een biografie over hem schreef. Göring was een excentrieke paljas met wie je leuk kon babbelen. Zijn bewonderaars mochten heil Dicke naar hem schreeuwen, maar de gezellige dikzak verloor zich geregeld in rancuneus antisemitisme. Hij liet mensen die hem niet aanstonden – Joodse kunstverzamelaars voorop – op perfide wijze intimideren.

Het is niet de psychiatrie, maar de sociale psychologie die kan helpen om Breivik en Göring te begrijpen. In de sociale psychologie is veelvuldig onderzoek gedaan naar de neiging van mensen om te denken in termen van wij en zij. Het is een neiging die gemakkelijk valt aan te wakkeren, zoals het experiment liet zien waarin kinderen aantallen stippen moesten schatten. Sommigen kregen te horen dat ze overschatters waren en anderen dat ze onderschatters waren. De groepsindeling was volkomen uit de lucht gegrepen. Toen overschatters en onderschatters elkaar later schoolpunten gaven, was een duidelijk patroon zichtbaar – overschatters straften onderschatters af en vice versa. Er bestaan allerlei varianten op dit type onderzoek. Het meest tot de verbeelding spreekt het Stanford Prison Experiment. Daarbij deden normale vrijwilligers een rollenspel. Ze werden willekeurig ingedeeld in ‘bewakers’ en ‘gevangenen’. Het experiment liep zeer uit de hand. De ‘bewakers’ maakten zich al snel schuldig aan brutaliteiten jegens de gevangenen.

Het document dat Breivik op internet slingerde en dat hij zijn ‘Europese onafhankelijkheidsverklaring’ noemt, is doortrokken van wij en zij. ‘Wij’, dat zijn de nieuwe kruisridders. Zij beseffen dat Europa wordt bedreigd door multiculturalisten. ‘Zij’, dat zijn moslims en laffe sociaal-democraten. Zij willen een ‘Eurabia’ creëren.

Wie dit snapt, schrijft Breivik, begrijpt ook dat het nodig is om de christelijke wortels van Europa te beschermen met het wraakzwaard en om sociaal-democratische verraders af te straffen.

Anders dan het geïmproviseerde delict van de patiënt die de boer doodschoot, besteedde Breivik veel zorg en aandacht aan de voorbereiding van zijn massamoord. Een Noorse politieman merkte terecht op dat Breivik niet eens de reis van Oslo naar het eiland Utøya had kunnen maken als hij psychotisch zou zijn geweest.

De nabestaanden van de Limburgse boer hebben op de plek waar hij werd doodgeschoten een monument gebouwd. Daarop valt te lezen dat hun familielid in de nazomer van 1982 door een „noodlottige gebeurtenis” om het leven kwam. Dat is een grootmoedige formulering. Ze maakt geen enkele toespeling op de schuld van de patiënt. Als over een tijdje monumenten voor de slachtoffers van Breivik verrijzen, is zo’n formulering moeilijk voorstelbaar. Het zal toch moeten gaan over Breivik, die de daad bij het woord voegde. Die term is schatplichtig aan een politiek taalgebruik dat bol staat van de hyperbolen over wij en zij.

Harald Merckelbach is hoogleraar psychologie aan de Universiteit Maastricht.