Extreme verschijnselen in de financiële deeltjesversneller

Een Europese Centrale Bank die Italiaanse staatsschuld opkoopt, en negatieve rentes in de Verenigde Staten: onder de extreme omstandigheden op de financiële markten treden fenomenen op die tot voor kort ondenkbaar waren.

Wat doen beleidsmakers als er werkelijk niets meer helpt tegen de macht van de financiële markten? Ze wenden zich tot hun centrale bank. Gisteravond besloot de Europese Centrale Bank (ECB) om steunaankopen te plegen van Italiaanse en Spaanse staatsobligaties, na eerdere soortgelijke acties met Iers en Grieks schuldpapier. De reactie vanmorgen was overdonderend: de effectieve rente op Italiaanse obligaties met een looptijd van tien jaar, die de week eindigde in de gevarenzone boven de 6 procent, kelderde met driekwart procent naar 5,33 procent. De Spaanse rente viel nog verder.

Morgen vergadert in Washington het bestuur van de Amerikaanse centrale bank, de Federal Reserve. Het lijkt er niet op dat de ‘Fed’ al zal aankondigen voor de derde maal grootschalig in te kopen op de financiële markten, een daad waarmee zij eerst tijdens de financiële crisis de koersen van rommelhypotheken steunde, en vervolgens de Amerikaanse staatsschuld steunde. Maar zo’n beslissing lijkt wel naderbij te zijn gekomen. Wat wel zal gebeuren is dat de Fed de looptijd verlengt van staatsschuld die reeds in haar bezit is: als staatsobligaties aflopen, dan wordt het geld dat vrijkomt besteed aan nieuwe obligaties met een lange looptijd.

Aan beide kanten van de Atlantische Oceaan zijn de centrale banken dus hard bezig met het steunen van de overheidsfinanciën, en dat is onder normale omstandigheden in het geheel niet de bedoeling. Maar de tijden zijn niet normaal. De afwaardering van de Amerikaanse staatsschuld van AAA naar AA+ door Standard & Poor’s afgelopen vrijdag was niet zozeer een financieel, als wel een politiek oordeel. Zoals ook de Europese schuldencrisis eerder een politieke is dan een economische: gemiddeld staan de Europese overheidsfinanciën er veel beter voor dan de Amerikaanse. Maar de politieke patstelling rond de schuldencrisis verlamt de besluitvorming. En dus springt de centrale bank noodgedwongen in om erger te voorkomen.

Er is een grens aan wat de centrale bankiers vermogen. De macht om zelf het geld te scheppen waarmee kan worden ingegrepen lijkt oneindig, maar is dat niet. In 1992 en 1993 konden massale steunaankopen van Europese valuta’s niet voorkomen dat het arrangement van aan elkaar gekoppelde Europese munten ontrafelde – een gebeurtenis die rechtstreeks leidde tot het creëren van één munt, de euro. De meer dan 600 miljard dollar die de Amerikaanse centrale bank de afgelopen driekwart jaar aan staatsschuld inkocht, heeft niet voorkomen dat de VS op de rand wankelen van een nieuwe economische recessie. Hoe meer geld in het systeem wordt gebracht, hoe groter de kans dat de intrinsieke waarde van dat geld daalt, en de inflatie oploopt. De Amerikaanse inflatie staat nu op 3,6 procent, die in de eurozone op 2,5 procent. Dat zijn geen waarden om nieuwe monetaire avonturen mee te beginnen. Goud, de nieuwe totem van de wantrouwende belegger, bereikte vanmorgen niet voor niets een nieuw hoogterecord.

De mogelijkheden om de economie te steunen zijn al bijna uitgeput. De overheidsfinanciën staan zowel in Europa als Amerika een nieuwe stimulering niet toe. En dus komt ook die taak volledig op de schouders van de centrale bankiers terecht. Hoeveel kunnen zij nog doen? In Europa is de rente weliswaar recent verhoogd van 1 procent naar 1,5 procent, maar ze is nog steeds zeer laag. In de Verenigde Staten staat de rente op iets boven de nul procent. Er zijn al commerciële banken in de VS en in Zwitserland die geld vragen als klanten grote deposito’s bij ze storten. Bank of New York Mellon rekent een vergoeding voor stortingen boven 50 miljoen dollar. Dat staat gelijk aan een negatieve rente, een concept dat een jaar geleden nog ondenkbaar was. We leven in een financiële deeltjesversneller, waar onder extreme omstandigheden de meest exotische verschijnselen optreden.

Beleggers kunnen zich onder deze omstandigheden afvragen waarom de beurzen pas zo laat reageerden op twee crises in de overheidsschulden die al een tijdje onder ons zijn, maar tot twee weken geleden de aandelenkoersen nauwelijks raakten. Een mogelijk antwoord is dat de economie kennelijk zelf in een nieuwe dip raakt, terwijl de middelen om daar tegen op te treden ditmaal goeddeels zijn uitgeput. Daarmee krijgt het rijtje: kredietcrisis, economische recessie, schuldencrisis een vervolg: nieuwe recessie.

Nu is de voorspellende kracht van de aandelenbeurzen niet altijd even sterk, en is er wellicht sprake van een angstreactie die later onterecht zal blijken. Maar één ding staat vast: kijk niet naar de centrale banken als die naast de staatsschuld ook nog de conjunctuur moeten redden. Zij staren op dit moment al naar de bodem van hun eigen schatkist, die niet zo onuitputtelijk is als hij lijkt.

    • Maarten Schinkel